woensdag 17 oktober 2012

Slakken in Limoges.




Duivenmelkers hebben aan buitenstaanders veel uit te leggen. Vaak vindt men dat je een rare liefhebberij hebt.
’ Vliegen die duiven eerst naar Frankrijk  of  breng je ze daar zelf heen.’ Zo zit er af en toe  een ex- collega van school te jennen.
Domme vragen waarop een deskundige postduivenliefhebber het antwoord liever schuldig blijft
In ons clubgebouw bieden we onderdak aan een Bridgeclub. Dat is tenminste een vrijetijdsbesteding waar je mee voor de dag kunt komen. Zeg tegen je collega’s op de schoolwerkvloer: ’Ik speel bridge’, en je krijgt beslist geen lullige opmerkingen.
In onze vereniging kennen we iemand die naast  het spel  met zijn duiven  nog  golft en tennist. Hobby’s waar niks mis mee is. Er zijn gekkere vrijetijdsbestedingen.

Enige tijd geleden speelde de fondclub  in september Limoges. Vanwege het ongunstige weer waren de duiven tot de zondag blijven staan en ‘s maandag had ik mijn kop niet bij de les. Weliswaar lette een buurman  op de thuisvliegers maar je zit toch in spanning. 
Tijdens de ochtend pauze belde ik duivenbuurman Cobus. Die had weinig positiefs te melden. Overal waren al duiven gevallen, zelfs in het donker van de late nacht, maar de uithamduiven lieten het afweten.
'Jij hebt trage duiven', zei hij,' je voert met een te grote hand, daar worden ze vadsig en lui van.''
 'Voor zo'n lange afstand hebben ze veel brandstof nodig', reageerde ik, ze hebben nog pinda's gehad en schapenvet ook!'

Een koffiedrinkende schoolcollega die kennelijk  iets van het telefoontje had opgevangen, vroeg:’ Hoe is het met je duiven en geef jij je duiven  pinda's! Zijn ze ongepeld of lusten ze ook borrelnootjes ? ’
‘Die zitten in Limoges’, zei ik kortaf. Ik had weinig zin in een babbel met Bert Bedelman, de docent economie.
 ‘Dat is toevallig, mijn slakken hangen ergens in Limoges,’ ging hij verder.
’Wat moeten ze daar?’was mijn reactie.

Van Bedelman kon je alles verwachten."Borrelnootjes" Verbaasd was ik niet. Het was een gekke vent. Thuis brouwde hij zijn eigen bier en nu had hij een gat in de markt ontdekt en kweekte slakken die hij voor veel geld als delicatesse aan hotels verkocht. Het was een makkelijke bijverdienste. De slakken vergden weinig onderhoud.
‘Wat doen die slakken van jou in Zuid Frankrijk,’ bromde ik.
‘Nou kijk, Uitham, dat zal ik je vertellen. Ze overwinteren. Slakken houden een winterslaap en in Leusden vriezen ze dood. Daarom hangen ze in zakken aan de hanenbalken van het boerderijtje dat mijn broer in Limoges heeft  opgeknapt’
‘Wat voor soort slakken kweek je, Bedelman. Zijn het naaktslakken?’
‘Nee, Wijnbergslakken.’
                          
 Ik haalde de schouders op en nam een slok koffie. Hij hield van een  glas wijn. Ik geloofde er geen barst van. Die  Bert met z’n  slakkenhobby was de grootste treiterkop van de school.  
In z’n les joeg hij de meisjes op stang door de jongens voor te rekenen dat ze  beter niet konden trouwen aangezien het economisch voordeliger was een vaatwasmachine te kopen.
‘Waarom vliegen je duiven naar huis. Frankrijk is toch veel leuker. Als ik duif was,bleef ik weg,’begon Bert weer. Hij was nog niet met mij klaar.
’Ze vinden het plezierig om lang en hard te vliegen en thuis liggen  hun vrouwtjes in de broedschotel te wachten.’verklaarde ik.
‘Leuk? Dat geloof je toch zelf niet. Ze moesten jou bij je vriendin weghalen en ergens in het grensgebied van Duitsland ‘s nacht uit de auto gooien. Dat zou jij fijn vinden, maak dat de kat wijs.’

Ik zei dat duiven geen mensen waren. Hij nam een slok van zijn koffie, keek naar een mooie jonge lerares aan het eind van de lerarenstamtafel.
’Mogen die duiven zelf weten met wie ze verkering willen’, informeerde hij peinzend.
‘Nee,’zei ik,’dat regel ik
Zijn mond viel open:’En als ze een ander duifje willen?’
‘Ze hebben niks te willen. Hoe gaat  eigenlijk  de voortplanting van je slakken?’

Die vraag gaf onze koffiebabbel een andere wending.
 ‘Je wilt weten hoe m’n  slakken het doen,’lachte hij.’Kijk dat zal ik je eens haarfijn uitleggen.
Dat gaat in de eerste plaats erg langzaam en het is nogal glibberig. Zoals je weet beweegt de slak zich voort in zijn eigen slijmbed.’
Dat wist ik niet. Ik had er tenminste nooit bij stilgestaan, gelukkig redde de bel mij van  meer onsmakelijke details. We mochten weer voor schoolmeester spelen en moesten weer lesgeven.
Toen ik na school thuiskam, kon ik constateren dat mijn duiven met een slakkengangetje de weg van Limoges aflegden.Twee van  de vijf waren terug. Twee volgden een week later en een liet  zijn snavel nooit meer zien.
©c.u.



maandag 15 oktober 2012

Voor 21 cent naar Arlon



Vroeger mochten we voor de biologieleraar een werkstuk maken. We waren daar niet blij mee. Ik deed het over postduiven. Die leraar had toch geen verstand van duiven dacht ik. Dat was zo.
Hij bladerde er wat in, stelde een gekke vraag en gaf een 7. 
Tevreden was ik niet. Ik had er  mooie plaatjes bij geplak: een duif van Dusarduyn uit Groede, Catrijsse duiven in Moere  en van  een hok in Borgerhout. En een duiven - diploma dat ik zomaar van een oude liefhebber kreeg. 

Trots als een pauw was ik. Nu had ik een duif met een diploma op mijn hok. Zelf had ik geen diploma want ik zat in die tijd op de ULO en ik had toen nog geen examen gedaan. Die vetblauwe oude duivin had als jonge duif de 12e prijs gewonnen op Quivrain tegen 44 duiven. Dat was me wat! 

Laatst vond ik dat werkstuk op een rommelzoldertje terug.  Er staat een illustratie in van een vluchtprogramma Jonge duiven richting Arlon, misschien uit 1950.

Alle afdelingen behalve Noord  losten tussen 9 en 23 augustus in Ciney, Libramont en Arlon.  Vervoer was  per trein. De vracht was 4 ct per duif 
In België werd het een stuk duurder, nl. 16 cent voor Vilvoorde en Arlon  kon men inkorven voor 21 Hollandse centen. Dat lijkt goedkoop, maar  een halve eeuw geleden  kostte een pakje  van 10 sigaretten zoveel.

We vlogen nu al weer heel wat jaartjes geleden dankzij de vogelpest Libramont en Arlon.
Veel liefhebbers vonden het  riskant, zo’n oostelijk gelegen losstation.
Ze dreigden met niet inkorven. Zou men indertijd daar zoveel drukte over  hebben gemaakt? 

Bij de afbeelding van dat  vluchtprogramma uit 1950 lees je  onder punt 1 dat de eerste oplatingen van jonge vogels zullen geschieden in het bijzijn van de oude vogels, om te verhinderen dat onervaren duifjes de verkeerde richting inslaan en daardoor verdwalen.

Dus dat vond  men toen raadzaam als de liefhebber zijn jonkies ging africhten en ze een eindje wegbracht voor  ze aan het grote werk konden beginnen.
2. Dezelfde loslatingen daarna alleen, maar in groepsverband en
3.Vervolgens oplatingen met afzonderlijke loslating. Kortom, een advies over zelf africhten. 


Wat overigens ook opviel bij het doorbladeren van dat programmaboekje, was dat behalve de datum en de losplaats ook het tijdstip van lossing  zo leek het al van te voren  was vastgesteld. 


Voorts kun je zien dat jonge duiven in die tijd nog niet zoveel vluchten hadden af te wieken en dat ze betrekkelijk dicht bij huis bleven en dat Franse losplaatsen voor hun niet op het programma stonden.

Natuurlijk had ik het hele werkstuk over geschreven uit De Postduivenrassen door G.A. Spruyt of een ander boek



ps: Vanzelfsprekend zorgde men tijdens het vervoer goed voor de duiven.
Drinkwater  werd waar maar even de gelegenheid was regelmatig ververst en aangevuld

c.u.

.

dinsdag 9 oktober 2012

Duifwindwijzer


In de voorbije jaren heb ik  veel duivenverhalen,mini- reportages en verslagen geschreven.
Daarbij maakte ik  onnoemelijk veel foto's en daar zit van alles tussen; geslaagd en mislukt.

Rommelend in dozen met die duif-gerelateerde foto's vond ik deze  foto van een windwijzer op een Duivenhok In Loosdrecht. De Liefhebber in kwestie, een gevreesde overnachtspeler in de regio Gooi& Eemland is al weer wat jaartjes geleden gestopt met de duivensport.

Duivenmeljker zetten van alles bij, rond en op hun huis en hok. Zo was ik ooit bij een duivenman in Eemnes  en hij had een windvaan op zijn bungalow staan met in smeedijzeren letters de naam Sint Vincent. Hij vierde  waarschijnlijk vaak triomfen op die klassieke lange afstandsvlucht.
De pijl van de windvaan wees  aan hoe de wind  waaide, maar gaf natuurlijk niet de richting van Sint Vincent.

Verder was ik ook eens op bezoek bij een liefhebber op de Duiventuin in Groningen. Die had voor zijn duiventil een zonnewijzer op het mooie gladgeschoren gazon neergezet en zodoende wist hij altijd hoe laat het was op de dagen dat de zon zich tenminste van zijn beste kant liet zien.

De duif met het olijftakje  in Loosdrecht wijst als ik het me wel herinner op de ene foto wel ongeveer naar het zuidwesten of zuidoosten.
De andere foto heb ik gespiegeld en daar waait de wind dus ogenschijnlijk uit een andere hoek

c.u.

maandag 8 oktober 2012

De Postduif

een postduif die wel terug kwam na een verre reis




(Genesis 8 - 8:13)

De schone duivensport, door duizenden bedreven
stond al millennia geleden goed bekend
reeds in het Genesis van ’t Oude Testament
wordt deze bezigheid zeer uitgebreid beschreven.

Toen Noach varend met zijn dierenlogement
na zeven maanden op een bergtop was gedreven
zond hij een postduif om op zoek te gaan naar leven.
Die simp’le Noach bleek toch maar een slimme vent.

Al na de tweede keer kwam zij terug gevlogen
met een jong blad van een olijfboom in haar bek
En slimme Noach dacht ~Dat is nog niet zo gek.
De zee is zakkend, we staan eerdaags op het droge

En bij de derde keer ~o duivenmelkerspech~
Is zij gevlogen en ze bleef voor eeuwig weg.

Geschreven in opdracht van Cor



© Koos 30-6-06


Koos Haydn was een tijdlang actief als blogger op het voormalige Volkskrantweblog . Hij schreef daar met grote regelmaat  humoristische  en speelse sonnetten( gedichten van 14 regels en 4 coupletten)over van alles en nog wat. Op mijn vraag of hij ook eens iets over de postduif wilde maken, kwam hij al vrij snel met dit gedicht op de proppen. Het is destijds ook nog in het toenmalige landelijke duivensportblad het "  NP Orgaan" geplaatst in mijn rubriek:Op het Duivenpad


woensdag 3 oktober 2012

Weg van de snelweg




Vandaag ben ik een beetje filosofisch. Een beetje fantaseren over  duiven kan geen kwaad.
Toen ik ruim 50 jaar geleden aan de postduif  raakte, was er over de manier waarop duiven hun weg zochten weinig bekend. Er zou een soort kompas zijn. Een stukje ijzer in hun koppetje dat  naar een noordpool wees. Hoe het precies werkte, bleef een raadsel.
Ik richtte m’n duiven op de fiets naar alle windstreken af; dat was  goeie leerschool. Van alle kanten  moesten ze thuis kunnen komen.  Op het weer lette ik niet zoveel.

Nu, een halve eeuw later, is ’t aantal theorieën groter geworden maar ‘t raadsel  niet kleiner. Een vage  deskundige denkt   dat een duif zijn hok ruikt. Een Brits filosoof gaat ervan uit dat de postduif door onzichtbaar elastiek naar huis getrokken wordt. Als de afstand te groot is, gaat de rek eruit en komt de kampioen maar moeilijk of helemaal niet thuis. Duiven maken behalve van het magnetisch veld  tevens gebruik van de zon.

Sinds kort kennen we de zgn. snelwegtheorie. Engelse onderzoekers hebben ontdekt dat duiven ‘t patroon van snelwegen, spoorlijnen en waterwegen  lijken te volgen. 
Natuurlijk zijn daar al de nodige grappen over gemaakt: mijn duif heeft de verkeerde afslag genomen, is op een rotonde blijven rondkarren, of de 88 was laat, want hij zat in de file.

Misschien is het niet zo gek  van die wegen. Onze duiven gaan toch  wekelijks met de container over de weg zuidwaarts , de meeste losplaatsen liggen aan hoofdroutes. In hun 3 – 5 jarige vliegleventje leggen ze gemiddeld, laten we zeggen,15 x per jaar dezelfde weg af. Als ze dat allemaal onthouden en zo een soort wegenkaart tot hun beschikking krijgen, wordt de conclusie van die Engelse wetenschappers wel  aannemelijker. In dat duivenhoofdje moet  dan ruimte zijn voor een vrij groot geheugen. 
Natuurlijk niet op de manier waarop mensen dingen onthouden, zien en herkennen. Voorlopig geef ik die Snelwegtheorie het voordeel van de twijfel.

Wat dat geheugen betreft: het gebeurt geregeld dat ze dat helemaal kwijt schijnen te zijn voor kortere of langere tijd. 
Aanvliegers of verdwaalde duiven die op mijn hok belanden geef ik meestal op. Ze komen bijvoorbeeld uit Steenwijk, Almelo, Hattem of een andere uithoek van het land. 
De liefhebber die je aan de telefoon krijgt, zegt: ’Ach meneer, hebt u zelf ook duiven. Als u het beestje een paar dagen zou willen verzorgen en dan loslaten zal het wel thuis geraken.’
Nou vergeet het maar, je laat ze los maar ze komen hardnekkig terug. Je neemt ze ten einde raad mee naar Almere, Woudenberg, Lelystad, Zwolle en zelfs Assen of Groningen, maar nog dezelfde of de volgende dag zitten ze weer op je hok in Amersfoort. Toegegeven: soms krijgen ze de geest en vertrekken op een dag met de Noorderzon. Dus hoe werkt dat geheugen bij een duif……..

Algemeen wordt aangenomen dat de duif gebruik kan maken van meer eigenschappen om z’n hok te vinden; zon, magnetisch veld,  geur en herkenning.
Een zintuig of vermogen dat weinig of niet benut wordt gaat achteruit. Als duiven zich veelvuldig op het wegennet concentreren door generaties lang een bepaalde  ideale vlieglijn te volgen, stompt een ander hulpmiddel misschien af. 
Het  soms trage verloop van  een onverwachte vlucht op de oostenlijn of vanuit het noorden wordt dan logisch. Immers  in dat deel van België en Nederland kent ons fladdervolkje het kaartbeeld niet. De duif moet dan bijvoorbeeld terugvallen op zijn magnetische trukendoos. Zogenaamde fondduiven komen dan vaak voorop. Zij zijn immers gewend aan onbekende streken en grote omwegen.

©c.u.