Posts tonen met het label zwerfduiven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zwerfduiven. Alle posts tonen

donderdag 28 mei 2015

Tien jaar dakloos



Deze duif verdwaalde niet Van Barcelona kwam ie zonder mankeren naar huis



Een verdwaalde duif is nog geen dooie duif. Dat ‘duivenspreekwoord’ schoot me te binnen, toen  onze vluchtenpenningmeester eens even tijd had voor een verhaal. Meestal was hij een bezig baasje dat duizend dingen tegelijk wil regelen, maar nu had hij onder het genot van een borreltje zijn verhaal.
 Een oud vrouwtje; een soort Roodkapjes – Oma was bij hem, Gerrit, komen klagen over lastige duiven. In de buurt waren in korte tijd hoge gebouwen van een auto - importeur gesloopt.
Nu sliepen er op haar balkon duiven en ze maakten lawaai.
Gerrit beloofde hulp. Met een geïmproviseerde vangkooi  kon het probleem opgelost worden.
’Snurken ze’, had hij nog plagend gevraagd.  Oma echter had serieus het hoofd geschud en gezegd dat  die rotbeesten wel een brommend geluid over zich hadden.
In de weken die volgden werd de duivenval af en toe gecontroleerd en dat leverde  interessante vangsten op.
Duiven  van ver weg maar ook van  heel dichtbij vielen zo in handen van de hulpvaardige Gerrit. Ze kwamen van Alkmaar, Veenendaal en Almelo en andere plaatsen, maar ook uit onze eigen stad, Amersfoort.

Tussen die gearresteerde ‘dakloze’ zwerfduiven bevond zich een schitterende tienjarige doffer; een plaatje om te zien Hij was van  een lid van de Amersfoortse vereniging De Koerier;  ene Peter H. Die was hem  als jonge duif van het hok verspeeld.
Nu bijna elf jaar later,  bleek dat dier al die tijd  ongeveer 200 meter van de thuisbasis op dat hoge afgebroken autogebouw gewoond te hebben. Wel een bewijs dat verdwaalde en achtergebleven duiven zich jarenlang in de vrije natuur van  stad en land wisten te handhaven.
Van clubgenoot  Bertus zat er een 2-jarige duif  bij. Die was op een dag weggebleven en  woonde dus  gezond en wel een paar straten verder. De Veenendaalse duivin, ook al een paar jaar van huis, werd door de gelukkige eigenaar opgehaald. Ze stamde nog van belangrijke kweekkoppels en nu kreeg de basis van succes nog weer versterking.
Natuurlijk wilden sommige liefhebbers hun verloren duif niet terug, maar ze vernamen  wel wat er van hun  gevederde vrienden was geworden. En dankzij  Gerrit  en zijn  vangnetje kon dat grootmoedertje weer rustig slapen.
©c.u.

zondag 13 januari 2013

Goed gemutst


 Een duif waar je je petje voor mocht afnemen;de fameuze 89 met jong (van wijlen Dick Jacobs)


Af en toe kwam er in het Reclameblok van de  televisie vroeger wel eens  een spotje voorbij van een bedrijf dat iets  met kantoorwerk te maken had.
Je zag een overwerkte man die  uit het raam keek. Hij ontdekte aan de overkant een witte duif met een toverhoedje op.
Hij wreef zich in z'n ogen omdat hij meende te dromen, riep zijn secretaresse maar dan was de vogel  al weer gevlogen.

Enige tijd geleden liep ik op de Hof, 't grote plein in onze stad. Het wemelde er van stadsduiven. De markt was net gesloten en de gemeente reiniging en de duiven waren het plein aan 't opruimen.
De duiven renden driftig heen en weer voor de veegwagens  met hun waterstralen en  pikten alles op, wat ook maar enigszins eetbaar was: patat met mayonaise, onduidelijke kruimels en groente resten.
Duivenliefhebbers kijken met andere ogen naar zulke zwerfduiven dan de gemiddelde burger. Ze zien in zo'n vreemdelingen legioen de vele zieke en gewonde duiven. Duiven met of zonder poten, maar soms lopen er fraaie postduiven tussen.

Ik moest denken aan een verhaal dat  Mart me eens vertelde over de heldendaden van zijn  vader die ook duiven hield. Die had een vriend die op zondag graag naar de pleinduiven keek.
‘ M' n ouwe heer wilde een geintje uithalen,’ zei Mart,’ daar was ie goed in!’
Hij voerde de dieren en ving er een stelletje. Thuis knipte hij van wat oude giro enveloppen de hoekjes, deed er een beetje stroop of glutonlijm in en plakte zo de duiven een voor een, een puntmutsje op hun kop.
‘Hoe kreeg je vader die duiven te pakken,’ onderbrak, ‘ zo makkelijk ging  dat toch zeker niet!’
‘ Oh, heel simpel; met zwart naaigaren,’ verklaarde Mart. ‘ Hij  trok een heel stuk van  'n  garenklosje af,  legde dat uit over de stenen  en strooide  wat voer. De  hongerige duiven raakten met hun poten verward in dat fijne draad en mijn pa kon ze dan zo naar zich toe halen. Eigenlijk was hij op die manier naar duiven aan het hengelen.’

Ik keek hem ongelovig aan. Maar hij ging onverstoorbaar door.
‘ De duiven droegen dus hoedjes ,maar ze moesten ook wat aan de poten hebben, vond hij. Van het witte papier maakte hij kokertjes die aan de uiteinden een beetje rafelig geknipt werden. Die bevestigde hij rond de duivenpootjes. Mijn vader was bonthandelaar. Hij knipte stukjes bont en plakte  die op de tenen en op die kokertjes. Nu leek 't van een afstand of de duiven bontlaarsjes aan hadden.

Vervolgens liet hij ze weer los. En met enige spanning wachtte hij de berichten van Toon, z'n duivenmaat af.
‘Moet je nou eens horen,’ riep die bij 't inmanden van de duiven de vrijdag daarna.
‘ Op de Hof lopen duiven met petjes op!’
Iedereen lachte.
‘Dat heb je zeker gedroomd of je hebt een beetje te diep in het glas gekeken,’ schaterden de liefhebbers.
‘ Nee,’ zei Toon, ik heb 't zelf gezien, ik heb getuigen. Ze droegen ook sokjes!’
Hij had beter niks meer kunnen zeggen want de vrolijkheid steeg ten top.
M'n vader vertelde hoe de vork in de steel zat en toen kon Toon er zelf ook wel een beetje zuurzoet  omlachen.
©c.u.

maandag 9 juli 2012

Goede en kwade zorgen



Een tijdje geleden ergens gelezen dat er in het gebied rond Vinkenveen veel kerktorens uit het lood waren gaan staan. Dat was niet de schuld van de zwerfduiven die er misschien  bij de vleet woonden. Nee, de veenbodem was er terplekke  zo sponsachtig geworden dat deze Nederlandse Pisa - torens in de toekomst om konden kukulen en kerkbesturen maakten zich zorgen over de kosten van zoiets spectaculairs. 

En zorgen; daar kan ik over meepraten, al gaan die van mij maar over verdwaalde duiven.
De laatste paar vluchten lopen niet op rolletjes. Van Salbris en Aurillac of Vincent kwam een flink aantal niet thuis. 
En op een vlucht van Le Mans  kwam een van de acht gewond naar huis. Die was tijdens de Duivenrace van het befaamde autocircuit  wellicht tegen een vangrail gebotst.  Het was de 10, mijn befaamde rode Bordeaux doffer. Hij kwam namelijk na 10 dagen ’s avond laat tegen 10 uur met een gat in zijn borst thuis. Zo verfrommeld en onder de klei en modder dat zijn duivin hem de bak uit sloeg. 

Aan dokter Prikmans, mijn lijfduivenarts vroeg ik bezorgd of  het nog ooit weer goed zou komen met dat gat en of de duif nog vliegprestaties zou kunnen leveren.
‘Dat gat groeit wel dicht, Uitham, en voor de rest zal de tijd het leren.’ Zijn goedmoedig gebrom stelde maar matig gerust. 

Een andere duif die op Le Mans miste, werd liefderijk opgevangen door een duivenman uit Nieuwerkerk aan de IJssel. Zijn naam is me ontschoten, maar de 39 is intussen weer thuis. Van Sint Vincent zat mijn 12 bij meneer De Jong in Nieuw Vossemeer; dat had mijn duivin goed bekeken want in die omgeving zitten goeie  lange - afstand - melkers  en fondduiven. Ze werd uitstekend verzorgd en na een week een stukje op weg geholpen en in Breda losgelaten. Er zaten in die buurt wel nog meer gestrande Sint Vincentgangers. 
Van clubgenoot Mario zat er een in Moerstraten. Ook daar was een goed kosthuis en zijn duif werd zelfs helemaal naar Soest meegenomen en dus vlak bij zijn hok in Amersfoort losgelaten. 
Maar sommige komen ook keurig strak in het pak terug

Zo zijn er gelukkig nog altijd melkers die de moeite nemen om leeg gevlogen  en uit de koers geraakte duiven te verzorgen. Ze doen dat onbaatzuchtig en lopen gelukkig niet meteen op een draf naar een Centraal hok. Met het gevolg dat jouw dierbare overnachtduif soms al in de  Duiven - Opvang zit terwijl het concours nog openstaat. Ik heb het idee dat zoiets dit jaar ook minder voorkomt, maar dat kan optimistische verbeelding zijn. ‘Wishful Thinking’ zullen Engelse Melkers dan zeggen; ofwel de wens is de moeder van de gedachte.
C.U.

dinsdag 15 november 2011

Verboden liefde

weerv thuis en lekker in een donker hoekje
Ze hadden elkaar niet op een gemaskerd bal ontmoet zoals in het klassieke verhaal. Maar een van mijn duiven had opeens doldriest verkering met een flat- of straatduif. Over haar keuze was ik teleurgesteld.
Ze was een veelbelovende jong duivenvrouwtje en nu ging ze zomaar aan de zwier met zo’n stuk schorriemorrie van een gevederde kraakbeweging aan de overkant. Daar stond een flatgebouw met een kapot dakraam. 
Op de zolder hokte haar nieuwe vriend  met ander duiventuig. Er heerste geen rivaliteit tussen dat vreemdelingenlegioen van schijtbeesten en mijn  nette postduivenfamilie. Ze bemoeiden zich  gewoon niet met elkaar.
Nu bleef mijn duif, de 92,  ik noemde haar Julia, soms hele nachten weg.  Overdag kwam ze af en toe wel eten met haar Romeo op sleeptouw. Die was ongeringd en stak niet netjes in de veren Ik snapte niet wat ze in dat beest zag. Sukkelientje,  dacht ik bij mezelf wat moet je zo’n vent. Hij had geen stoer voorkomen.  Die doffer bezat  vrouwelijke trekjes, had een  duivinnenkopje. Maar ze was nu eenmaal smoor op dat mannetje.

Op een dag toen mijn Julia weer kwam tafelen, en haar oude hok binnenliep, sloot ik haar op in een buitenren. Romeo joeg ik weg. Die liet zich  ook niet vangen.
Een paar dagen later was hij weer present. Liep wanhopig en zenuwachtig voor het gaas  op en neer; z’n geliefde spiegelde dat aan de andere kant .
Af en toe snavelden ze wat door de mazen van het gaas heen.  Een buitenstaander zou er vertederd om kunnen glimlachen. Het was  zo ontroerend maar ik kon er de humor niet van inzien. 

en dit is een keurig gezinnetje


Als de  schemerig viel, vertrok Romeo weer naar zijn zolderverdieping. Zo ging het twee weken lang tot mijn duif ontsnapte. Ik deed het deurtje van de ren open om de drinkpot te verversen en weg was ze; mijn zachtblauwe tot over haar snavel verliefde duivin. Een week lang bleef ze uit beeld tot de honger haar terugbracht. Immers het leven van een flatduif is niet gemakkelijk. Het duivenvoer ligt niet voor het oprapen.
Ze kreeg opnieuw huisarrest. In een leegstaande  caviakooi in de fietsenschuur mocht ze over haar zonden nadenken. 
De deur naar die berging stond wel eens op een kier. Na een paar dagen zoeken had  onze flat- Romeo uitgevogeld waar zijn geliefde zat. Verlangen en nieuwsgierigheid lokten hem naar binnen. Dat was dom. Ik greep hem bij z’n lurven en fabriceerde een noodcel voor hem in een kartonnen doos  met luchtgaten.

Toen ik het weekend daarna naar Groningen moest,mocht hij mee. In de Martini stad kreeg hij de vrijheid. Het spoor naar Amersfoort zou hij naar mijn mening niet vinden.   
Julia was na  een kleine veertien dagen genezen van haar verboden liefde. Ze kreeg een ander duivenvriendje, een echte postduif, want dat was ze aan haar stand verplicht. Het kon toch niet zo zijn dat mijn Julia 92, die ik van de beroemde duivenkampioen H. de B. te S. gekregen had, zich vergooide aan een zwerver.

Na drie weken liep op een morgen Romeo in de achtertuin. Zijn Tomtom had  hem misschien allerlei dwaalwegen opgestuurd, maar uiteindelijk was hij misschien bij toeval in zijn vertrouwde buurt beland. Ik had mijn duiven los.
Julia zat met haar nieuwe vlam in het zonnetje op de vorst van het dak naast de schoorsteen. Ze had geen oog voor Romeo die blij om haar heen begon te draaien en te koeren. 
Hij kreeg vleugelklappen en  snavelpikken van haar nieuwe vriend. Die koerde waarschijnlijk iets van :’opzouten, mafkikker, heb ik wat van je aan, blijf van m ’n  vriendin af.’  Zielig, ach wat, ach welnee. Het idee van eeuwige duiventrouw  komt  toch alleen voor in romantische verhalen.
©.c.u.

donderdag 10 november 2011

Overlast en klokkenspel.

Het liefst een witte ooievaar

Onze clubgenoot Mees is verhuisd naar een randgemeente. Voor sommigen was dat een opluchting, want hij vloog hard, zijn duiven rolden de boel op, en nu zag de jaloerse concurrentie zijn kans schoon.
Dat verhuizen ging niet zonder problemen. Er moesten hokken gebouwd worden en vergunning daarvoor was vereist. Van alle kanten kwam protest. Zelfs in ver verwijderde zijstraten waren bewoners bezorgd voor hun wasgoed. 
Er werd een hoorzitting georganiseerd. Mees mocht  aan een stel oproerige opstandelingen uitleggen hoe mooi, goed en onschuldig zijn hobby wel was. Na veel vijven en zessen werden de bezwaren ongegrond verklaard en mocht Mees bouwen. Trouwen is bouwen, zeiden wij vroeger, welnu, duivenhouwen is ook bouwen.

In het afgelopen jaar  zag ik weer merkwaardige berichten over duiven en de last die ze veroorzaken. De meeste mensen kunnen een duif niet van een willekeurige andere vogel onderscheiden, maar als ze het woord duif  horen slaan ze direct op tilt
Daar was allereerst  een aflevering van het Jeugdjournaal. Zwerfduiven in een of andere stad  hadden het carillon in de toren bevuild. Dat was natuurlijk geen gezicht. Misschien klonken de liedjes van het klokkenspel er minder helder door. Het kan zijn dat de beiaardier, de klokkenist, er zenuwachtig van werd. Wie zal het zeggen!

Het jeugdnieuws liet  beelden zien van de bescheten klokken. Buiten op een richel liepen wat witte en bonte  duiven. De man die muziek in de toren speelde, kwam aan het woord. De duivenpoep tastte volgens hem op den duur het metaal van de klokken aan. Waar hij die wijsheid vandaan had, werd niet duidelijk. 
De vrouwelijke burgemeester van het stadje verscheen voor de camera, compleet met ambtsketting. Ze liet weten dat het een schande was, dat haar klokkenspel zo werd beschadigd! Er kwamen maatregelen. De duiven moesten vertrekken, ze mochten niet meer gevoerd worden. Men zou netten voor de galmgaten spannen, de beesten konden er dan niet meer in en de klokken kregen een grote schoonmaakbeurt. Tot slot liet de redactie van het jeugdjournaal nog een shot zien van een nest met eieren. Vijf gespikkelde eieren!
“Ja,” zei de nieuwslezeres, “ de duiven moeten voortaan ergens anders een nestje maken.”

Kraaieneieren, dacht ik, duiven leggen bij mijn weten geen gespikkelde eieren en nooit meer dan twee. Wat een domme toestand. Zo moet je de jeugd maar iets leren! 
Het was waarschijnlijk ook  zo dat kraaien en duiven niet gebroederlijk in dezelfde ruimte of omgeving nestelen. Kraaien stelen eieren van andere vogels.  Bij mij hadden tenminste  van de zomer kraaien en eksters eieren gestolen.
Verder zagen we dit jaar iets over problemen met duiven in Rotterdam, Utrecht en Culemborg. In Utrecht vielen de duifachtige individuen op het perron de reizigers lastig met uitwerpselen. 
De kwestie werd grondig aangepakt. Men hing vangkooien op. Valkeniers lieten roofvogels laat in de avond of in de nacht in het station los. De duiven kropen weg in het voor hen bestemde opvangverblijf. 
De zieke duiven maakte men op  humane manier af, aldus de krant, gezonde dieren gingen naar een  duivengevangenis ergens in het Zuiden. Daar werden ze  verzorgd en zo lang vastgehouden tot ze volkomen gedesoriënteerd waren, dan werden ze in vrijheid gesteld!

In Rotterdam brachten stadsduiven volgens verslaggevers  ziekten over als paratyfus en longaandoeningen. Het waren vliegende ratten die ook nog eens ongedierte bij zich hadden.
En in Culemborg tenslotte waren verwilderde duiven funest voor de mooie historische gebouwen. Een ambtenaar, van stadstoezicht wellicht, had er geteld hoeveel gevleugelde geveltoeristen de stad rijk was. Volgens zijn berekening waren dat er exact 199.
Dat is knap, dacht ik. Hoe kon die man zo precies het duivenbestand inventariseren. Het klopte bovendien niet, want ik had juist diezelfde week een witte sierduif in dat stadje losgelaten, een  witte kropper, die  als een macho,  een Rotterdamse Hooligan, zijn bolle borst hoog voor zich uitdroeg. Dat beest was bij mij komen aanvliegen en maakte mijn weduwnaars zenuwachtig. 
Een oud- leerling van mij ging die dag in het middeleeuwse stadje  trouwen en ik wilde dat een feestelijk tintje geven.  
Dat werd dus 200 duiven, want  de kans dat de duif terugvloog naar Amersfoort was klein. Culemborgers mochten ook geen duiven voeren van die geïnterviewde ambtenaar. Maar hoe zat dat dan met al die bruidsparen, die rijkelijk met rijst bestrooid werden op het bordes van het mooie stadhuis!

Tussen de regels lezen we weinig kennis van zaken en veel onbegrip. Mensen hebben in het algemeen een soort haat- liefde verhouding met duiven. Ze staan met een verheerlijkt gezicht duiven te voeren op pleinen in Amsterdam, Londen en Rome. 
Men laat bij trouwerijen en andere feestelijkheden graag witte duiven los, immers een duif is het symbool van onschuld en vrede.  Misschien zou men het liefst een  witte ooievaar loslaten. Nee niet een echte natuurlijk, maar  het soort duif at daar wat op lijkt.
We hebben soms de mooiste liedjes over duiven. Annie M.G.Schmidt met “Duivies, duivies kom maar Gerritje , en niet te vergeten Gert en Hermien met hun,”Alle duiven op de Dam, ja die weten hoe het kwam’, want duiven hebben verstand van het liefdesspel.

Dat brengt mij terug bij Mees. Niet dat liefdesspel natuurlijk! Nee, die dubbele houding van mensen. Duiven zijn aardig, maar van een afstand, moet je maar denken. Al die negatieve en onjuiste publiciteit over duiven is niet wenselijk.
In het nieuwe dorp van Mees is de rust weergekeerd. Het blijkt allemaal wel mee te vallen met die poep en zo. De mensen wennen aan zo’n klad, rondjes vliegende duiven en staan er niet verder bij stil.                                              
c.u.

zondag 6 november 2011

Zeepost



 Een echte postduif schrijft  en bezorgt zelf brieven. Dat kan denk je dan alleen in   dierenverhalen. Gerrit de postduif van  de Fabeltjeskrant die de post rondbrengt in het Grote Dierenbos.
Duiven verdwalen soms boven zee. Bijvoorbeeld als ze met een sterke oostelijke wind langs de kust trekken. Maar ook wel als ze in hun enthousiasme met de wind op de staart ver doorschieten naar het Noorden.
Zo kreeg ik van Henk en Theo van Pro Patria  uit Amersfoort een brief envelop  uit Oosterbierum. Op 15 mei waren hun duiven om 8 uur in Pont St Maxcense gelost met noordwestenwind. Ze hadden goed gedraaid zoals dat heet maar misten er toch een paar. In die envelop zat een briefje van  een van hun kanjers. Door de postbode gestempeld in Zwolle op 21 mei 2004. Hun duif schreef  met een computer op 17 mei:

‘ Hallo baas, hier ben ik weer. Ik was een beetje uit de koers geraakt en was toen mijn oriëntatie kwijt en verdaagde toen op zee. Ik was toen zo moe en uitgeput en ben toen op een vissersschip gaan zitten uitrusten. Ik had niet alleen veel honger maar ook veel dorst. 
Gelukkig waren die vissers zo vriendelijk om mij te verzorgen en was er duivenvoer aan boord daar het in de zomer wel vaker voorkomt dat er aanvliegers aan boord komen. 
De datum van die bewuste dag was 17/05/04 om 8 uur. Goed, dat is zo mijn verhaal en ik hoop dat je niet boos op me bent en mij nog een kans wil geven om me te bewijzen in de duivensport. Mijn tijdelijke schip en verzorgers waren UK 224 uit Urk van gebroeders de Boer. Je krijgt de vriendelijke groeten van hen. Ze hebben telefoon maar alleen in het weekend. P.S. Ben laten vliegen in Harlingen op 20 mei.’

p.s.2: ik zag ook nog een zeilschip maar dat leek me niks voor een duif

‘s Morgens in Frankrijk en ’s avonds na 12 uur vliegen aan boord van een wiebelend schip. Een duif maakt wat mee!

Het briefje van de duif van Henk en Theo was  ergens in de nacht( misschien nog wel aan boord)geprint met een oud naaldprintertje. 
Van Harlingen vloog hun duif dus naar Oosterbierum  waar ze binnenviel bij de duivenfamilie Roorda die op haar beurt  weer  voor tijdelijke opvang en verdere berichtgeving zorgde. 
Het briefje dat die knappe duif aan boord schreef, heb ik, afgezien van het telefoonnummer, vrijwel letterlijk overgenomen. 
Schrijvende duiven. Als dat zou kunnen, kwamen we veel meer over hun avonturen en omzwervingen te weten.
C.U.
© afb aquarel c.u.

dinsdag 11 oktober 2011

Duiven op zolder


duiven op zolder en op het dak

We zaten aan de koffie. Mijn schoonzoon klaagde  dat er zoveel in en aan het huis gedaan moest worden.’Ja jongen’, zei ik, ’trouwen is bouwen.’
Hij schudde ’t hoofd: daar had hij nog nooit van gehoord.
‘Het is een spreekwoord,’leraarde ik Hij greep het  spreekwoordenboek dat hij van mij op zijn verjaardag had gekregen uit de kast. Hij komt uit Marokko maar is behoorlijk aangepast.

‘Trouwen is houwen,’riep hij na wat zoeken. Je hebt het verkeerd.’
‘Houwen en bouwen kan allebei,’reageerde ik. Dat was misschien niet zo, maar ik had niet graag ongelijk.. Hij rommelde nog wat met de bladzijden en  zei:’ Hier staan ook spreekwoorden over duiven. Weet je  wel wat het betekent als je duiven op zolder houdt?’Hij lachte.
Nu schudde ik mijn hoofd.
‘Dan bied je onderdak aan prostituees.’
Hij spelde het woord nadrukkelijk en grinnikte:’Dat wist je niet hè. Hier kijk zelf maar.’

Het stond er inderdaad; tussen een paar andere duivenspreekwoorden. Een duifje zonder gal, was een heel lief en onschuldig  meisje. Dat was zo kon je lezen omdat men vroeger dacht  dat duiven geen gal hadden. En het gezegde:’Waar duiven zijn, vliegen duiven heen.’,betekende: soort zoekt soort.

Dat van die prostituees zou ik op de duivenclub beslist aan  clubgenoot Peter  moeten vertellen, want die hield een deel van zijn weduwduivinnen op zolder.

Na de koffie toen mijn dochter de kinderen naar bed bracht en  schoonzoon de afwas deed, overdacht ik mijn vergissing.
Niks geen bouwen. Trouwen was houwen of houden en dan vooral het huishouden. En ik  filosofeerde ook nog wat over duif en spreekwoord. Zouden er in de toekomst ook nieuwe en andere duifspreekwoorden in een mooi dik boek terecht komen? 
Goeie kanshebbers waren dan zeker: Hij vliegt geen deuk in een pakje boter( een favoriete uitdrukking van clubgenoot Jan) en: Ik heb je plat; een vreemde  opmerking voor een buitenstaander maar waarmee de melker bedoelt dat hij de concurrentie net voor zit. Zo had Harrie,  Wim en Theo plat op Pont St Maxcense. Heel bekend verder: hij vliegt de pannen van het dak, een gezegde dat je niet al te letterlijk mag opvatten.

In het verleden las je in advertenties vaak: Weer ontspoort een helletrein. Dat was zo bij de totale verkoping van Dr. Linsen en bij oud clubgenoot Hans die een tijdelijke allergie voor duiven had ontwikkeld.
De duiven van zo’n liefhebber raasden naar huis en waren niet te stoppen net als een trein naar de hel. Duiven en een trein naar de hel. Wie zou zoiets voor het eerst bedacht hebben?
C.U.