woensdag 18 januari 2012

The sound of breaking glass

the 77  back home


Collision course

It was somewhere in April last year. I had someone on the phone. While I was listening to the tittle-tattle on the other side of the line with half an ear, I looked outside. 
My pigeons were enjoying themselves at the back of  the garden and on the roof of the garage. They had their first breed. 
Suddenly an  alarming sound was heard; a little boy from the neighbourhood threw a pebble on the roof of the loft. The birds seized by panic flew  away in all possible directions and one of them approached at high speed the windowpane of the living room.

‘Just a minute’, I said to the phone,’ trouble ahead.’ But even before I had put down the receiver, the pigeon   collided against the double window, bounced back, floundered, and was dead within seconds.
I picked up the receiver and told that one of my pigeons  had flown into my window.
‘It must be  broken, I suppose’, was the answer.
‘No course not,’ I said irritated, ‘my pigeon is dead.’ I ended the  annoying conversation, went outside, and picked  up  the  unlucky bird.. It was the ‘Swift’ a late September breed, a cock which Harry, a member of Pro Patria, our Pigeon club had given to me.
I looked at the ring. 800, that was  an easy number to remember. It was a pigeon of promising origin That was again a bit of a blow and as I stood there for  a while meditating, I remembered other events that had to do with breaking glass.

Long ago when I was still a student at a Teacher’s training college  we had one day an educational trip to  a cotton mill. On that occasion one of our beloved teachers walked right through a  thick glass made door. It was great fun. It was Mr Smith, who was always chasing us. 
We had escaped from the Spinning-mill, were walking outside in the sun because we didn’t care much for the cotton and wool business. 
But Mr Smith spotted us and in his eager to arrest  his stray student he didn’t see the glazed door of the modern factory. He splintered up  then there that very door, but he himself was alright, not a scratch.

I laid the unfortunate  blue chequers cock in the shed for the time being. Why did that teacher escape  without a single drip of blood while my pigeon didn’t get the best of it. 
Of course the speed of a bird is far more higher than a fast walking double Dutch teacher. It makes sense. In the  six or seven yards from the loft to my house  my ‘Swift’ must have had a speed of let’s say  about forty miles. 
My pigeon was small and the window was strong, moreover a  fat  hunting teacher has got the weight on his side, though he may not walk faster  than a mile or three.

The second incident concerned a blue pencil cock that stayed behind  from Corbeil in France in 1980 on the last day of May. The  homing pigeons had  to face  bad weather conditions. A rain belt covered Northern France and
Belgium that day. In the opinion of the members of our club Corbeil had always been a heavy race, because that town was built in a valley. Anyhow the 77, my blue pencil, didn’t show up.
A couple of days  went by  without a sign of my missing favourite. Then one evening the telephone rang.

‘I have  got a blue speckled  pigeon,’ It was a British pigeon keeper  living  somewhere in the neighbourhood of Hull. He had my pigeon! It was quite worn out and had to recover, he meant.
I asked him if he would like to keep  the bird. But that was out of the question. 
He was convinced that my 77 would return to Holland under its own steam, once it was in good shape again. Meanwhile I thanked my  fellow pigeon keeper for taking care of the lost sheep.
So my blue pencil hero was on the other side of the North Sea somewhere north west of Hull and instead of the 200 miles from Corbeil to Amersfoort it had covered a double distance.

What on earth was my pigeon doing in England.  That  very year  he was mated to  an English hen that had preferred my loft to her British pigeon house. Had he come to like the English pigeon ladies that much, that he had  voluntarily crossed the Channel to see if there was anything more he fancied. Or had she sent him that way in order to settle family affairs! Who can tell?
Of course  the pigeons had tried to avoid the heavy showers that last day of May and in doing so they had come above  the sea That’s the way it must have been.
 For weeks together nothing happened. Probably I was not  ever to see my English pigeon again. I was wrong! 
my first loft

On the 21e  of July the  strong wind was blowing from the west and at the end of the day my 77 was home again. I was deeply impressed.
I immediately sent a letter and within a week got an answer The English pigeon host told  that his little daughter in particular had  been looking after the Dutch visitor and she was very pleased that it had travelled all the way back to Holland. 
The 77  had made several efforts tot cross the sea, had been away from the loft sometimes all day long, returning home after sunset with seaweed on its legs

In spring a year later my pigeons were playing around the house, when they were startled by some noise and they rushed from the roof. A moment after that my neighbour’s daughter brought the 77 She had found him in their garden near the sliding window. 
Maybe I could cure it, she said. It had only passed out and  would  soon recover, she   thought. She wasn’t right of course and I told her so.
Collision course; a road that inevitably leads to an accident   
Poor 77 running so many risks in flying home from unknown countries, crossing  seemingly an endless seas only to meet with a fatal accident so near his loft.

Cor Uitham      

      
in het volgende blog komt de nederlandse versie

maandag 16 januari 2012

Naar voren

voetbalvereniging Doornspijk  in de oorlogsjaren  rechts'  uitham naar voren '

Soms zorgen verdwaalde duiven voor verrassende ontmoetingen. De post bracht een opvangkaart.  Er stond een ringnummer op dat ik eerst niet herkende. Tenslotte ging me een lichtje op. Het was een laat zomerjong van een jaar eerder.
Ik had de jonge duivin van Henkie gekregen. Ze was nooit afgericht, zat op kleine jongen en was zo maar van het hok verdwenen. Waarschijnlijk met noordelingen op een staartwindje meegesleurd. Nu zat ze in het duivendetentiecentrum in ’t Harde. Met een snel telefoon werd geregeld dat ik haar na het avondeten onmiddellijk zou repatriëren. 
Mijn zoon zou voor de gezelligheid meegaan. Dat beestje liet ik niet op de Veluwe zitten, want Henkie ’s duiven waren goud waard.

Het  Centraal hok lag aan de Bovenweg in de driehoek Doornspijk, Elburg en de Legerplaats ’t Harde. Die weg kende ik van mijn verre jeugd, want in de eerste plaats was ik opgegroeid.
Toen we kort na het eten bij het adres waren, stond de baas van het opvangcentrum al te wachten. 
Op een  ruim erf stond een royale duiven accommodatie.
Ik gaf de Centraal - hokbeheerder een hand en stelde mij voor. Die reageerde met de woorden;’ Uitham, naar voren’.

Een moment dacht ik aan de oude marathonschaatser die familie van mij was, toen
vroeg ik:’ waarom zegt U dat?’ ‘ 
Nou’, was het antwoord,’ dat zeggen en roepen ze hier in de buurt  nog altijd  als er gevoetbald wordt.' 
Er ging me voor de tweede keer die dag een lichtje op. Het ging om mijn vader. Die had in de oorlogsjaren meer dan 50 jaar geleden met anderen  de voetbal vereniging in Doornspijk opgericht. In het elftal was hij soms keeper, maar meestal stond hij als een soort coach langs de lijn en moedigde zijn jongens aan met de woorden. Naar, voren, naar voren! 
Het voetbalveld lag aan de Bovenweg bij’ t Harde. En nu meer dan een halve eeuw later, kwam ik daar een duif halen en kreeg die aanmoedigingskreet te horen en daar was ik wel een beetje verrast door. 

De man van het Centrale hok was veel jonger.Hij voetbalde ook maar de oudere toeschouwers in de streek, schreeuwden  zo af en toe wel eens :’ Uitham naar voren’. 
Na al die jaren! Mijn vader was al lang dood, maar zijn woorden klonken nog.  
 Ik  zag het voor me: al die Doornspijkse boys stormden dan als een onontwarbare kluwen spelers naar het doel van de tegenstander, want het spel  was in die tijd  toch nog een beetje straatvoetbal.
Na het verrassende gesprek betaalde ik mijn duivengastheer het verschuldigde bedrag voor logies en ontbijt zullen we maar zeggen.
We reden terug richting Amersfoort. Mijn zoon  had er al die tijd bijgestaan met een gezicht van: met duiven heb ik niks te maken , ik heb geen verstand van die beesten. Maar hij vond het wel interessant dat zijn Opa een minilegende in een kleine plaatselijke voetbalwereld was. 
Onderweg dacht ik: ‘jongens, naar voren’, dat zou ik tegen mijn duiven moeten zeggen voor het inkorven, want die mochten wel eens wat beter presteren en eindelijk ook eens kop vliegen. 
Thuis werd het gouden duivinnetje  van Henkie terug in het hok op haar nest gezet. Wie weet gingen haar jongen op de vluchten voor uitschieters zorgen.
C.U.

zaterdag 14 januari 2012

Terug van Weg geweest

een ooievaar
Achter iedere duif schuilt wel een verhaal. Een tijdje terug zat er bij mij een  krasbonte duif die ik niet kende. Het was een van, die al  donkere dagen, eind oktober. 
Toen ik de vreemdeling van dichterbij inspecteerde, zag ik dat hij een chipring had met mijn telefoonsticker. Het oude duivenhok was open maar de duif had geen lust om binnen te lopen.
Ik deed de klep van de jonge duiven afdeling naar beneden en de zwerver haastte zich schielijk naar binnen. De kraswitpen had ringnummer 1600335, het was een jaarling.
In de schuur zette ik hem in een tijdelijk opvanghokje. Uit mijn computeradministratie bleek dat  die 35 anderhalf jaar eerder op een jonge duiven vlucht van Duffel was achtergebleven.

Daarna belde ik clubgenoot Peter op en vertelde hem het grote nieuws.
‘Hij staat op twee oude pennen en is een beetje aan de lichte kant’, riep ik door de draagbare telefoon.
‘Dan heeft ie geen goed kosthuis gehad. Daar heb je niet veel meer aan en opeten heeft ook niet zoveel zin,’reageerde die.
’Dat weet ik nog zo net niet,’ bromde ik,’ het beest ging weer op zijn vaste stekkie zitten.’
‘“Ja, dat is wel knap, dat ie dat nog weet’, zwakte Peter zijn eerste negatieve oordeel  wat af.
Ik  verbrak de verbinding en bekeek de stamboom van de 35 met z’n goeie geheugen en ik zag allerlei informatie en herinnerde me veel dat  al lang achter mijn duivenhorizon verdwenen was.

De duif had als  moeder de Patrijs, die op haar beurt een dochter was van de Boerin Haar moeder  weer, schonk het levenslicht aan mijn 54 die in het holst van de nacht een 13e Nationaal Bergerac won en ze stamde in mannelijke lijn  van duiven af die ik in cafés met klinkende namen, als de Fles en Romantica, had aangeschaft.

Als je zo’n stamboom verder doorspit, stuit je op alle mogelijke namen en bijzonderheden: Putten, het fondnest van de Veluwe, Utrecht, Helmond,  Zundert, Zierikzee en Maastricht. Spakenburg van het succesvolle koppel eitjes en Steenbergen waar ik aan de eerste duif van de verkoping bleef hangen 
De Duivensport is mooi; een fijne hobby en in elk geval  uitstekend voor je topografische kennis.
Aardige details, bijvoorbeeld: de Grietje, de betovergrootmoeder,  die in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht  liefderijk opgevangen was en de Bart die in Loosdrecht voorgoed het spoor naar huis bijster raakte. 
En al die voorvaders en –moeders van die eindelijk teruggekeerde Duffelduif hadden natuurlijk ook soms best prijs gevlogen van Brive, Bordeaux, Bergerac, Chantilly ,Creil en andere losplaatsen. Kortom, zo kun je daar dan zitten mijmeren over voorbije duivendagen.

Ja, wat doe je met zo’n Verloren zoon. Ik kan zo’n duif niet onverbiddelijk de toegang tot mijn kolonie ontzeggen. Dat wil niet zeggen dat ik, net als in het Bijbelverhaal, een groot welkomstfeest organiseer. Nee, de 35 mag nog een tijdje blijven; voorlopig zit ik met het beestje in mijn maag. Natuurlijk heb ik er niks meer aan wat vliegen betreft. 
De afgelopen weken is de krasbonte  af en toe een nacht weggeweest!Dat is een veeg teken.Of het een doffer of duivin is? Ik weet het nog altijd niet. Het dier heeft nog geen bek open gedaan. Kon ik maar een goed gesprek met hem voeren dan kwam ik er wellicht achter waar hij al die tijd  gebivakkeerd had.

Vanzelfsprekend heb ik wel vaker, soms na jaren een vermiste duif mogen begroeten. Vroeger zaten er korte tijd witte duiven op mijn hok ,die ik, toen ik op ze uitgekeken raakte, naar de markt bracht.
Een jaar of zes geleden meldde zich op 5 mei in de voormiddag een  bijna sneeuwwitte doffer. Hij had wat grijs in zijn veren.  Daarom noemen we zo'n duif ook wel een grijze of een ooievaar Ook hij kon mij niet vertellen waar zijn vlucht begonnen was, maar in het land vierden ze de Bevrijding, en tijdens de feestelijkheden  gingen overal witte duiven  de lucht in. Vandaar!
Cor Uitham

woensdag 11 januari 2012

Blik op oneindig.

Sjefke met hangvleugel weer thuis nadat z'n baas hem ophaalde

Het regende. Ik was ziek; een griepje, een soort ornithose zou je kunnen zeggen.
 Karel kwam op bezoek. Hij bracht een jonge duif mee die buitengewoon goed in het vlees zat. Dat was niet als medicijn bedoeld. Het was een jonge doffer uit zijn Steenbok die nationaal op St Vincent de negende prijs behaalde.
‘ Het is helemaal geen fondsoort,’ zei hij, ‘ gewoon Tournier met wat anders erdoor geklutst dat het bij mij op de vitesse redelijk doet.’
Ik vroeg hem naar het pedigree.

Nou dat was heel simpel: hij had de duif van Paul, die kreeg hem van Jan en de vader stamde af van de Hagenees en het Amsterdammertje. Het klonk interessant.
‘ Is dat die Paul die eerst kanaries had en toen zijn duivenhok in een tuinhuisje veranderd heeft,’ wilde ik weten.
Karel knikte.’ Hij heeft de duiven weggedaan en zit nu op mooie dagen met z'n vrouw in dat prieel. Hij heeft eenvoudig de voorkant uit het hok gesloopt!’
Hij kreeg koffie met een stroopwafel.
 Als je zulke goeie duiven brengt, verdien je dat! Ik niesde en kuchte wat, om vooral te laten merken dat het menens was met mijn ornithose.

Op de een of andere manier kwam het gesprek op duivenogen.
‘Een duif heeft een oog aan beide kanten, stel je voor dat wij dat hadden, dan zagen we alles om ons heen!’
‘ Dat lijkt me onrustig,’ hoestte ik,’ misschien heeft zo'n beest ook wel dooie hoeken.’
‘Van achteren kan een duif niks zien, daarom duikt een roofvogel er aan die kant bovenop,’ ‘ verkondigde mijn bezoek.
Ik zei dat een duif aan de voorkant ook misschien wel een blinde plek had zitten.
Dat zag ik niet goed; de ogen stonden een beetje schuin en daardoor kon er ook iets uit de voerbak gepikt worden. We fantaseerden er vrolijk op los.

‘Hoor eens, Karel, verdedigde ik mij,’  vorig zomer lag ik eens met een vriendin in het gras langs de Merwede. Er kwam  een koppel duiven   over razen. Ze zaten op nog geen meter hoogte. In de verte stond een varkensschuur en de vogels koersten er recht op af.
‘ Zien die stomme beesten dat huis niet staan? Ze knallen  er zo tegen op’, zei m 'n gezellin.
Dat gebeurde  ook haast, maar vlak voor de gevel waaierden  ze omhoog en opzij.
‘ Dat bewijst niks en ik wist niet dat jij een vriendin had,’ bromde Karel.


Volgens hem wilden duiven bij harde tegenwind zo laag mogelijk vliegen en probeerden ze van beschutting te profiteren.
’ Het gebeurt niet alleen bij laagvliegers, mijn zwarte Sjefke vloog in België tegen een hoogspanningsmast’, zei ik.
‘Jij heb gewoon geen intelligente alerte duiven, waarom denk je dat die sukkels van jou altijd te laat zijn’, sneerde hij
‘ Kan het niet zo zijn dat ze de hindernissen pas heel laat in het oog krijgen?’ plaagde ik, want ik zag dat hij zich ergerde aan mijn  gefilosofeer.

‘ Hoe is met jouw afstamming?’ vroeg hij onverwacht.’
‘Niet zo best,’ moest ik toegeven.’ Van vaderszijde  een  boer uit Groningen en de opa van moeder  kwam uit de buurt van Osnabrück.
Weinig palmares, afgezien van een neef van mijn vader die een keer tweede in de elfstedentocht werd. Dat is de sportieve afdeling van onze familie. Wij zijn de kreupele tak!’
‘ Alleen eerste prijswinnaars, kennen ze na een half jaar nog,’ lachte hij.
‘Behoor jij dan tot een ras van echte klasbakken?’

Dat was niet het geval. Zijn grootvader  was door de dorpsjeugd op een avond met een meisje in een schaapskooi opgesloten. Ze werden eerst de volgende morgen in vrijheid gesteld en van  echt slapen was die nacht niet veel gekomen. 
Kortom Karels vader was een product van doffer toeval en duivin geluk.
Ik grinnikte. Hij kreeg opeens haast. De jonge doffer werd in de kweekren gezet bij de Thea, een Brabantse duivin en hij wenste mij succes met mijn griep.

zondag 8 januari 2012

Duivenogen

 Het draaide  zo rond de jaarwisseling in onze vereniging allemaal toch vooral om duivenogen en hun geheimen  De foto hieronder is gemaakt door Johan van Vliet


Tijdens de nieuwjaarsreceptie was er duivenfotograaf Louis vvan Zuijlen die met zijn assistente  eerste prijswinnaars van de club portretteerde en ook een close up opname van het duivenoog maakte. Dat leverde bijvoorbeeld het volgende tafreeltje op. Zo te zien moet dit wel echt teamwork zijn

donderdag 5 januari 2012

Buren en buren

Miss Money Penny bij haar drinkbak

‘Ik heb aan je gedacht,’ zei ze.
‘Hoe zo, ‘ vroeg ik. Het was  een van mijn leerlingen die bezorgd naar mij keek.
‘ Nou,’ ging ze verder,’ er was gisteravond een programma op drie en dat ging over buren die elkaar niet kunnen uitstaan.’
‘Leuk hoor,  en jij denkt dat ik een slechte buurman ben?’
‘Jij hebt toch postduiven?’
‘ Oh wacht eens, ik snap het al, ik heb een staartje van dat programma gezien; er stond een man in z'n tuin te roepen en te fluiten en met een busje te rammelen. Z'n buurvrouw werd daar boos om.’
‘ Heb je nooit last met je buren’, vroeg ze. ‘ Eh ,hoeveel duiven heb je eigenlijk?’
‘Veertig of vijftig, ik weet het niet precies,’ antwoordde ik en zag haar verbaasde blik.
‘ Hoe moet dat dan met die stront en het wasgoed van je buurvrouw,’ wilde ze weten.
‘ En die beesten maken toch ook lawaai!’

‘Hoor eens Anna, die buren van mij hebben in de voorbije vijftien jaar nog nooit geklaagd. 
Laatst heb ik Corrie, m'n buurvrouw van links, nog gevraagd hoe vaak er al iets op haar wasgoed gedaan was en op de dekens en lakens die ze elke morgen uit het raam hangt, want ze is schoon, die buurvrouw van me. 
Ze klopt elke morgen al haar mooie dromen uit lakens en dekens en  begreep eerst niet wat ik precies wilde. Het was nog nooit gebeurd voor zover ze zich het herinnerde; poep op  haar witte was.'
Anna's blik was een en al ongeloof en verbazing

‘ Luister, Anna, mijn duiven zitten niet de hele dag buiten.  En het is een nette bedoening. Hun hok wordt geregeld met een strontstofzuiger of krabber geschoond. Ze krijgen kwaliteitsvoer en  elke dag schoon water in een mooie drinkpan
Ze mogen op vaste tijden in kleinere groepjes vliegen en komen dan direct weer binnen om te eten en hun behoefte doen ze in het hok.
Kijk, als buren een hekel aan elkaar hebben, elkaar niet zien zitten of staan dan hebben ze natuurlijk overal last van. 
Alleen al 't gezicht van die buurman bevalt je dan niet en z'n stem vind je niet om aan te horen. Als zo'n man goudvissen houdt of kippen  is het ook niet goed. Zo zit de vork in de steel, Maaike’

Ze knikte en zag in dat ze toch niet genoeg argumenten had  om het gelijk van de boze buren te onderbouwen.
‘ En al die duiven in de stad,’ probeerde ze nog, ‘ die maken er toch een geweldige klerezooi van?’
‘ Dat is een soort ongedierte,’ sprak ik, ‘ dat zijn geen postduiven.’
‘ Oh, zit het zo,’ zuchtte ze en liep het lokaal uit.
 Vaak moet ik mij op allerlei manieren  verdedigen als ik vertel dat ik duiven heb.
En ik moet uitleggen dat die vogels het leuk vinden dat ze bij mij  mogen wonen.  Dat is niet steeds even makkelijk.

Vroeger was er  een tv programma dat ‘ Buren’ heette. Op kanaal vier, dacht ik. Toen ik wat heen en weer zapte, werd mijn aandacht getrokken door woonboten vol met duiven. Het was niet te geloven; het waren er honderden en de interviewer praatte met een oudere mevrouw die  de dieren voerde. Dat mocht ze niet meer van de rechter op straffe van vijfhonderd gulden boete iedere keer als de arme dieren wel wat gaf.
Die woonboten werden in hoofdzaak gebruikt door de meisjes van plezier; een krankzinnige situatie, als je daar bij stilstaat. 
De presentator wilde horen of de oude 'dame' ook in het leven had gezeten. Maar die kreeg lik op stuk.
Ze riep iets van :’ dat gaat je niets aan, ik geniet van mijn  A.O.W. en  het is toch geen misdaad als je wat duiffies voert!’
Een bewoner van een van de huizen uit de omgeving kreeg ook het woord. Hij vond dat het inderdaad de spuigaten uitliep. Die beesten bleven niet op die boten zitten. Nee, ze waren wel wijzer; die kwamen 's avonds  bij hem op het dak slapen en bij z'n buren. Hij wees en zei:’ Kijk daar, zie je wel wat een smeerboel?’
Hij had wel gelijk, vond ik.
©.c.u.

dinsdag 3 januari 2012

Maretakken een troosteloze boom en een duiventil

bomen overwoekerd  en geplaagd door maretakken






een treurboompje in de Auvergne


een duivenkasteeltje maar onbewoond
een duiventil als een echt bastion en met een heuse voordeur