Posts tonen met het label dwergen. postduiven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dwergen. postduiven. Alle posts tonen

donderdag 5 april 2012

Het zwerfvrouwtje en de duiven

Zwerfvrouwtje voert duiven en andere vogels


In ons duivenlokaal kun je al jaren  een foto bewonderen van een oude dame die duiven voert. Ik kreeg die foto ooit van mijn dochter die destijds bij het ANP  in Den Haag werkte.
Ze is op van dat dikke zachtboard geplakt en hangt in het clubgebouw naast het grote plasma- televisiescherm. Het oude duivenvrouwtje meen ik, niet mijn dochter; die laat niet met zich sollen natuurlijk
Wie de foto maakte, waar  en wanneer het zwerfvrouwtje de vogels te eten geeft, weet ik niet. Maar te oordelen naar de outfit van de bejaarde lady zal het wel in de eerste helft van de vorige eeuw geweest moeten zijn.
Misschien  de vijftiger jaren en is het ergens in het Vondelpark of een plantsoen in Den Haag. Het is nog de tijd van de degelijke boodschappentas, de lange mantel met  zo'n grote  handige zijzak en let ook op de dubbele hoofddoeken de bril van formaat. Dat monsterlijk montuur is haar vast niet aangemeten door  de een of andere opticien. Het  zijn de jaren dat we nog geen  idee  hebben wat Beter Zien ,Beter Horen,Dubbel focus, Hans Anders en Specsavers met ons van plan zijn.

De oude vrouw tuurt door dikke niet ontspiegelde glazen. Uit haar rechterhand pikt een blauwband aan een halve broodkorst, op haar linkerarm wacht een kraswitpen geduldig op zijn beurt.
Er lopen duiven aan haar voeten, een meeuw kijkt van een afstandje toe, op de achter- en voorgrond een vijver en treurige bomen.
Al jaren kijken de duivenmelkers in onze vereniging naar deze vrouw en ze worden er niet heet of koud van. Maar......je hoort ze er nooit over klagen.
Niemand moppert dat dat gekke mens maar eens moet verkassen. Nee,  diep in hun hart vinden ze haar wel aardig want zij houdt( hield) immers ook van duiffies  en dat schept een band zullen we maar zeggen.
c.u.

woensdag 11 januari 2012

Blik op oneindig.

Sjefke met hangvleugel weer thuis nadat z'n baas hem ophaalde

Het regende. Ik was ziek; een griepje, een soort ornithose zou je kunnen zeggen.
 Karel kwam op bezoek. Hij bracht een jonge duif mee die buitengewoon goed in het vlees zat. Dat was niet als medicijn bedoeld. Het was een jonge doffer uit zijn Steenbok die nationaal op St Vincent de negende prijs behaalde.
‘ Het is helemaal geen fondsoort,’ zei hij, ‘ gewoon Tournier met wat anders erdoor geklutst dat het bij mij op de vitesse redelijk doet.’
Ik vroeg hem naar het pedigree.

Nou dat was heel simpel: hij had de duif van Paul, die kreeg hem van Jan en de vader stamde af van de Hagenees en het Amsterdammertje. Het klonk interessant.
‘ Is dat die Paul die eerst kanaries had en toen zijn duivenhok in een tuinhuisje veranderd heeft,’ wilde ik weten.
Karel knikte.’ Hij heeft de duiven weggedaan en zit nu op mooie dagen met z'n vrouw in dat prieel. Hij heeft eenvoudig de voorkant uit het hok gesloopt!’
Hij kreeg koffie met een stroopwafel.
 Als je zulke goeie duiven brengt, verdien je dat! Ik niesde en kuchte wat, om vooral te laten merken dat het menens was met mijn ornithose.

Op de een of andere manier kwam het gesprek op duivenogen.
‘Een duif heeft een oog aan beide kanten, stel je voor dat wij dat hadden, dan zagen we alles om ons heen!’
‘ Dat lijkt me onrustig,’ hoestte ik,’ misschien heeft zo'n beest ook wel dooie hoeken.’
‘Van achteren kan een duif niks zien, daarom duikt een roofvogel er aan die kant bovenop,’ ‘ verkondigde mijn bezoek.
Ik zei dat een duif aan de voorkant ook misschien wel een blinde plek had zitten.
Dat zag ik niet goed; de ogen stonden een beetje schuin en daardoor kon er ook iets uit de voerbak gepikt worden. We fantaseerden er vrolijk op los.

‘Hoor eens, Karel, verdedigde ik mij,’  vorig zomer lag ik eens met een vriendin in het gras langs de Merwede. Er kwam  een koppel duiven   over razen. Ze zaten op nog geen meter hoogte. In de verte stond een varkensschuur en de vogels koersten er recht op af.
‘ Zien die stomme beesten dat huis niet staan? Ze knallen  er zo tegen op’, zei m 'n gezellin.
Dat gebeurde  ook haast, maar vlak voor de gevel waaierden  ze omhoog en opzij.
‘ Dat bewijst niks en ik wist niet dat jij een vriendin had,’ bromde Karel.


Volgens hem wilden duiven bij harde tegenwind zo laag mogelijk vliegen en probeerden ze van beschutting te profiteren.
’ Het gebeurt niet alleen bij laagvliegers, mijn zwarte Sjefke vloog in België tegen een hoogspanningsmast’, zei ik.
‘Jij heb gewoon geen intelligente alerte duiven, waarom denk je dat die sukkels van jou altijd te laat zijn’, sneerde hij
‘ Kan het niet zo zijn dat ze de hindernissen pas heel laat in het oog krijgen?’ plaagde ik, want ik zag dat hij zich ergerde aan mijn  gefilosofeer.

‘ Hoe is met jouw afstamming?’ vroeg hij onverwacht.’
‘Niet zo best,’ moest ik toegeven.’ Van vaderszijde  een  boer uit Groningen en de opa van moeder  kwam uit de buurt van Osnabrück.
Weinig palmares, afgezien van een neef van mijn vader die een keer tweede in de elfstedentocht werd. Dat is de sportieve afdeling van onze familie. Wij zijn de kreupele tak!’
‘ Alleen eerste prijswinnaars, kennen ze na een half jaar nog,’ lachte hij.
‘Behoor jij dan tot een ras van echte klasbakken?’

Dat was niet het geval. Zijn grootvader  was door de dorpsjeugd op een avond met een meisje in een schaapskooi opgesloten. Ze werden eerst de volgende morgen in vrijheid gesteld en van  echt slapen was die nacht niet veel gekomen. 
Kortom Karels vader was een product van doffer toeval en duivin geluk.
Ik grinnikte. Hij kreeg opeens haast. De jonge doffer werd in de kweekren gezet bij de Thea, een Brabantse duivin en hij wenste mij succes met mijn griep.

maandag 26 december 2011

De geschiedenis met Hans en Koos


                                                                 .
Aan het eind van een zomervakantie kreeg ik  eensvan mijn Amsterdamse dochter twee konijnen. Daar was ik niet blij mee.
‘ Luister eens, ik heb al  twee katten en vijftig postduiven,’ protesteerde ik. Dat argument maakte geen indruk.
‘ Het is tijdelijk’, riep ze enthousiast.
‘ Dat heb ik meer gehoord,’ bromde ik.
Ik ga kostgeld betalen, zei ze, en die beesten konden op haar kleine balkon in de Jordaan niet uit de voeten. Ze zei dat het 2 mannetjes waren en dat  gaf geen problemen. Die noemde ze Hans en Koos. Ze had een rijke fantasie.
De volgende dag bracht ze de knabbelaars met hok en al. Ik gaf haar als beloning  3 verdwaalde duiven. Die mocht ze  bij haar huis op de Lindengracht loslaten. Eentje kwam  uit Beverwijk, de andere twee moesten naar Drachten en Enschede.
  
‘s Middags kwamen De Pastoor en Bromsnor van het CCG bestuur langs. Ze wilden  Afdelingsproblemen bespreken. Ze waren in een jolige bui! Toen ze Hans en Koos zagen, waren de grappen niet van de lucht
‘Stop  je  met duiven, word je lid van een konijnenclub,’ vroeg Bromsnor.
‘Dat is zijn nieuwe geheime wapen! Hij denkt  dat de duiven gemotiveerder komen als er dakhazen  zitten te wachten!’ hakkelde de Pastoor
‘Dakhazen zijn katten,’ corrigeerde ik.  Oh, wat was het geestig; ik was blij toen ze na de koffie weg waren.

Na een week belde ik dochterlief. Ik had zorgen: Koos en Hans besprongen elkaar. Dat kon onschuldig zijn, maar ik wilde haar toch van dat driftige gewip op de hoogte stellen. Ze was er niet. Na de pieptoon mocht ik een boodschap inspreken. Praten met antwoordapparaten vond ik lullig; zeker als je het over konijnen ging.
's Avonds belde ze terug. Mannetjes deden het ook met elkaar, stelde ze gerust.
‘Heus, pa, er komt niets van! De man van de winkel heeft gezegd dat het mannetjes zijn!  Ja, die duifjes heb ik laten vliegen, eentje ging er in de boom zitten, dat was leuk.’
Ik geloofde haar gebabbel niet.

De volgende dag kwam Ko, een liefhebber uit de straat.
‘Konijn is lekker,’ sprak hij toen hij Koos en Hans zag
‘Dit zijn dwergkonijnen’, wierp ik tegen,’ die zijn te  klein.
‘Je kunt ze in mei bij je weduwduivinnen gooien. Die gaan niet op de vloer nestelen als er konijnen rondhuppelen, dat stond in het duivenblaadje, ’ ging hij verder.
‘Daar wennen ze aan en ze vreten die konijnenkeutels op,’ zei ik.
Die dochter van mij had me  mooi opgezadeld met die dwergsnuffelaars. Alle bevriende  duivenmannen die op de koffie kwamen, hadden commentaar.
‘Wie zijn geld wil zien verstuiven; hij koopt konijnen en duiven,’ zei mijn oom Albert zaliger als hij van mijn postduivenhobby hoorde. Hij had een melkveehouderij en vond het zinloos geld uit geven aan andere dieren dan koeien.
En nu had ik ook konijnen.

Inmiddels gingen de weken voorbij. Het weer werd triester; de donkere dagen voor Kerstmis. Nieuwjaar zat er aan te komen. Ik knipte in die eerste winterdagen de coniferen en  maakte het buitenhok van Hans en Koos schoon; het was een smeerboel, het hok was in de voorbije dagen natgeregend. De jongens hadden een gigantisch berg  keutels geproduceerd. 
Ze kregen verse stro en hooi. Koos sprong uit het hok; ik greep hem nog net in zijn nekvel en smeet  hem terug. Vervolgens begon ik aan het nachthok. Het deurtje wilde niet open; het hout was uitgezet door de regenval. 
Met een hamer en een schroevendraaier wrikte ik de voorkant open. Het daglicht nam bezit van de konijnenslaapkamer; achter een berg stront en stro lagen zeven of acht zwarte konijntjes die ontzet alle kanten uitstoven. Ik was overdonderd. Wat moest ik daar in Vredesnaam mee!

Als er in het voorjaar lammetjes geboren werden, riepen de mensen:’ Het wordt lente.’ Maar wat zei je als er met Kerst konijnen geboren werden! Konijnen en Kerst hoorden bij elkaar, maar deze bunnybaby's waren voor de komende feestdagen niet rijp voor de braadpan.
Hans en Koos hadden verkeerd gepland. Bovendien wie was Hans en wie was Koos; wie was het vrouwtje? Dat probleem moest ik  oplossen. Mijn anatomische kennis van deze knabbelsoort was niet groot.
Ik zat in moeilijkheden; dat was zonneklaar
Nu had ik plotseling tien van die knaagdieren. Besluiteloos liep ik mijn tuin rond In tuinieren had ik geen zin meer. Ik schoof de superval van 't duivenhok op zij; de doffers die al gescheiden zaten, stormden naar buiten.
 Ik kwam  een van mijn drie katten tegen. Het was de oude roodharige Hubertus. Hij was veertien jaar en zijn jachtinstinct stond  op een laag pitje. Mollen, goudvissen, lijsters of jonge konijntjes; vroeger bracht hij alles mee  Van hem viel niet veel te verwachten. 
Wat moest ik met acht konijnen? En dan was er nog een kwestie! Ik wist  dat je bij een nest konijnen de vader moest verwijderen, omdat hij  anders zijn kinderen de strot afbeet.  Maar wie was de vader ! Welk beest moest apart?
Ik belde mijn dochter. Ik vertelde haar van de blijde gebeurtenis; ze lachte uitbundig. Ze vond  't  het  einde. Ik ook.
‘Je moet geboortekaartjes versturen, Pa,’ plaagde ze
‘En jij lost het op,’ riep ik giftig, ‘het was tijdelijk en nou zit ik met de brokken.’
Ze zou haar best doen. Even later belde ze terug. Ze had het. Ze wou de jonkies verkopen op de Albert Cuyp markt als ze groter waren.
‘Je moet nog  even  op ze passen’, zei ze, ‘Het is maar tijdelijk, heus Pa’
‘Dat is met veel in het leven zo,’ mopperde ik, ‘wanneer maak je kostgeld over.’

Hans en Koos moest ik nog scheiden. Aan Ko vroeg ik, hoe ik het sekseprobleem kon oplossen. Die zei:’ Je moet dat nieuwe clublid, die Van der Bor vragen. Hij is veearts geweest en heeft verstand van zaken’.
Bor de Wolf,  zoals  onze aanwinst  genoemd werd, kwam een paar dagen later. Het was een man met een volle baard en een  sigaartje. 
Hij greep spartelende Hans in het nekvel, keerde hem om, duwde ‘t korte staart op zij en sprak:’ Kijk, dit beestje heeft een pijltje.’ Hij blies er wat rook over, zette Hans weer op zijn landinggestel, keek mijmerend voor zich en zei:’ Als je die beesten kwijt wilt,ik lust ze wel’
‘Ik zal er over denken,’ beloofde ik, en ik liet hem de poort uit. Toen ik de tuin inliep, zag ik Hans en Koos met hun voorpoten tegen het gaas. Over een paar weken was ’t Kerstmis, het feest van die andere geboorte en wat het nieuwe jaar hen nog kon brengen wisten ze gelukkig niet.
C.U.
 

zaterdag 24 december 2011

Een paleis van asbest

Als je goed kijkt zie links van het varkenskot overgrootvaders duiventil

Mijn allereerste duivenhokje was beginjaren vijftig een zoldertje in de garage van mijn vader. Hij had een volkswagen kever. Dat was er nog een met zo’n brilletje. Mijn  kleine duivenzolder bevond zich in de nok van die stalling. 
In de voorgevel van onze autoschuur zaten twee vlieggaten. Om mijn duiven te kunnen verzorgen moest ik op een hoge houten keukentrap klimmen. Balancerend  op de laatste trede kon ik met moeite mijn zes postduiven voer en water geven, of de  strontproductie  proberen weg te werken.
‘Geef jij je duiven weer een schone luier,’ riepen mijn zusters dan smalend. Ze vonden dat ik er een belachelijke liefhebberij op nahield.

Trouwens mijn hele familie was antiduif. Dat was eigenlijk wel raar want mijn overgrootvader hield al duiven. Op een paal naast zijn boerderij stond een rond hokje met vlieggaten. Het duiven houden zat dus in mijn genen kun je zeggen. 
Mijn vader zeurde ik maandenlang suf om een nieuw en beter hok maar hij had er geen oren naar. Het was zonde van het geld. Eigenlijk wilde hij ook het voer niet betalen dat nodig was.  Hartstikke zonde vond ie dat!  
 In die tijd begon ik ook mijn gevederde vrienden bij te voeren met oud droog brood. Een gewoonte die ik sindsdien niet meer kwijt raakte. Ook nu nog strooi ik als een soort Duivenkleinduimpje broodkruimels om mij heen.

Een onverwachte gebeurtenis bracht tenslotte verandering in de huisvesting van mijn postvogels. Een buurmeisje wilde op een dag graag mij en mijn duiven eens inspecteren. Bij die bezichtiging klommen wij samen bovenop de wankele trap. Het was een spannende onderneming. 
De garagevloer was van zand en leem en het was een hele kunst om wiebelend je evenwicht te bewaren. De keukentrap donderde natuurlijk om, wij maakten een flinke smak en lagen opeens tussen de brokstukken. Het buurmeisje was ongedeerd. Ik had wat schrammen en ontvellingen geoogst.
Mijn vader vond het allemaal zonde vooral vanwege die vernielde trap.
De buurvrouw was boos omdat haar dochter vuile kleren had en mijn zusters plasten zowat in hun broek van het lachen.

Toch werd die valpartij de aanleiding voor een nieuw hok. Zo kon het niet langer. Het mocht evenwel geen geld kosten. De plaatselijke timmerman stond  nog bij mijn vader, die politieman was, in het krijt. Misschien was er een oogje dicht gedaan bij een of andere bouwfraude.
De timmerman leverde dus gratis materiaal voor het andere hok. We kregen een soort dunne grijs gele platen die op latten getimmerd moesten worden. Het spul brak heel makkelijk. Waarschijnlijk was het een  ondeugdelijke partij asbest, waarmee de timmerman in zijn maag zat.
Hier poseer ik vol  trots voor mijn 1e echte duivenhokje van asbest

De nieuwe duivenwoning werd heel hoog en smal en kreeg geen vloer. Het hok had geen binnenbetimmering en in plaats van glas was er gaas. De duiven liepen gewoon op het zand. Kortom een koud en ongezond hok waar de vliegvorm ver te zoeken was. 
Om het een beetje goed te maken verfde ik de binnenkant met een witte naar anijs ruikende muursaus.  De zandbodem had het nadeel dat de duivenmest met hele plakken aan mijn schoenen bleef kleven en dus kreeg ik ruzie met mijn moeder omat ik de voeten niet goed veegde.
Het buurmeisje mocht niet meer naar die gevaarlijke buurjongen met zijn duiven en kwam niet meer kijken. Maar ik was blij met mijn nieuwe duivenpaleis.

De duivenbevolking  breidde  zich nu snel uit met een zilverschone doffer: een mooie vale, helaas zonder ring, een vetblauwe duivin met een los oog en een aanvlieger uit het Saarland, het grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland. 
Die duif liep mij overal achterna, at uit mijn hand en ging op mijn hoofd of schouder zitten Het was een hele makke duivin, eigenlijk  een nieuw vriendinnetje dat ik dus Saartje noemde.
Toen ik bijna dertig jaar later drie duivenhokken bouwde, kwam op een daarvan een asbestgolfplaat. Mijn  linker en rechter buren maakten zich daar  zo niet  druk om, zolang ik  er maar niet in ging zagen en boren of de zaak in brand stak. Mijn duiven hadden er geen last van en vlogen de pannen van het dak zoals dat in het duivenvakjargon heet.
Duivenhokken die helemaal van asbest gemaakt zijn, vind je nog bij hoge uitzondering.

Op een  herfstdag van de voorbije eeuw ging ik met clubgenoot Gerard naar België. Hij wilde in Heist op den Berg, omgeving  Lier wat late jongen aanschaffen. 
In het najaar krijgt Gerard altijd koopkriebels. Een ander wordt depressief van de gele herfstbladeren. Hij zal en moet duiven aanschaffen om zijn hok te versterken.
De Belgische liefhebber die in onze ogen riant woonde  bezat in zijn diepe tuin, achter een hoge coniferenhaag een aantal  oude bouwvallige hokken die van onder tot boven  helemaal waren bekleed met een soort grijswit plaatmateriaal. 
Asbest? Bij die gelegenheid moest ik aan mijn eerste echte duivenhokje denken en aan mijn wel heel kortstondige romance met dat buurmeisje op een keukentrapje.

woensdag 21 december 2011

Getrommel op het dak

Altenburger trommelduif


Enige tijd geleden kreeg ik een trommelduif op bezoek. Daar zit muziek in, zult u zeggen. Tot op zekere hoogte was dat zo. Het beestje trippelde in de dakgoot. 
Er klonk een  wak-  wak geluid, in combinatie  met klokkend gefluit. Als  de duif  op dreef kwam,  zong hij een duet met zichzelf en leekt ’t of er ergens een tweede herrieschopper op mijn huis domicilie had gekozen. 
De trommelaar was een ‘hij’ dat had ik intussen vastgesteld want mijn duivenkennis is groot.
Mooi vond ik de blauwe vogel niet, de onbekende muzikant leek  een beetje op een vuilnisbakkruising tussen post- en stadsduif. Mijn buurman Ed ,die twee sierduiven heeft, kwam op ’t wonderlijke geluid af en zei:’dat is een Turkse trommelduif!’
Waar hij die wijsheid vandaan had, Joost mocht ‘t  weten. Ik had m ’n twijfel.

Na een dag liep de vreemde trommelaar mijn duiventil binnen. Duivenmelkers beweren wel dat hun duiven elke vreemdeling er met snavelpikken en vleugelklappen uitgooien. Maar niks gebeurde, terwijl die nieuwe toch  heel anders koerde dan zij gewend waren.
Op de drumsolo’s die de brutale vlerk ten beste gaf, hadden ze geen passend antwoord. Op z’n zitje keek hij met zijn  lichte kraaloogjes rond met een air van; hier ben en blijf ik!

Omdat het dus een trommelmannetje was, moest er natuurlijk een dito vrouwtje komen. Ik belde Sierduiven- Koos die op vogelmarkten geregeld bijzondere fladderaars scoorde. Hij kwam prompt met een trommelmeisje op de proppen. 
De nieuwe geliefden kregen een hokje in mijn fietsenschuur Het wak- wak- fluit- klok- mannetje was meteen een stuk rustiger. Veel mannen hebben dat. Als ze onder elkaar zijn het hoogste woord en komt  vrouwlief in de buurt dan zingen ze direct een toon lager. De kersverse duivenbruid zei niet zoveel trouwens. Er werden eieren gelegd en jonkies geboren.

En ik wou nu wel eens exact weten met welk soort trommelduif ik van doen had. Uit de boekhandel – rommelbak viste een lijvig baksteendik boek getiteld:’De 500 mooiste duivenrassen van A  tot Z van Hans Joachim  Schille en Josef Wolters.
Na wat bladeren en zoeken kwam ik via de Bulgaarse tuimelaar, de Deense Raadsheer en de Roemeense kaalhals, vrij snel uit bij  de  Altenburger en Arabische trommelduif. De Schmöllner, Harzburger en Tsjechische trommelduiven kwamen niet in aanmerking want zij hadden sokkenpoten.
 Altenburger klonk dichtbij en vertrouwd. Arabisch was exotischer maar Ed had het niet helemaal goed want Arabieren zijn geen Turken.

Het Altenburger ras komt uit Oost- Thüringen, vertelde mijn dikke sierduiven- boek, De duiven hebben een kop met hoog voorhoofd en een naar achteren hellend profiel. Ze beleven groot plezier aan hun wak- wak- trommel geluid. De best trommelende duif krijgt op de tentoonstelling de eretitel’ Kampioenstrommelaar’.
De Arabische zouden echter bij trommelwedstrijden ongetwijfeld als beste uit de bus komen. Hun stem is hoger dan bij de Altenburger drummers en het geluid wordt op een zingende manier geproduceerd. Het kleurscala is groot. Ze zijn zeer vruchtbaar en het komt voor dat de duivinnen ook trommelgeluiden maken, een eigenschap die bij andere rassen ontbreekt.
Verder kwam ik te weten dat er in Nederland zelfs Trommelduifverenigingen bestaan. Een telefoontje met een bestuurslid van zo'n club uit Rijssen maakte me heel wat wijzer en  hielp me uit de droom dat trommelduiven minder mooi waren dan postduiven.
Trommelduiven waren om precies te zijn erg interessante en mooie vogels en zeker niet lelijker dan postduiven, die  bovendien ook nog eens niet konden trommelen. En als ik dat niet geloofde moest ik maar even in Rijssen komen kijken.

De vraag wat er nu eigenlijk in mijn schuur zat, kon ik niet trefzeker beantwoorden. Het mannetje was een kras, blauwgespikkeld dus, het  wakte en zong. Zijn vrouwtje  droeg een roodbruin gevlekte  robe  of outfit en ze hield haar snavel. 
 Waarschijnlijk had ik een trommelhuwelijk tussen een Arabische en Altenburger duif gearrangeerd, een tambour-maître en een majorette. Hoe dan ook hun kinderen groeiden voorspoedig op. 
En er waren warempel een paar zeldzame postduivenhouders die wel zo’n vrolijke sierduif bij huis wilden.  Koos zag er wel handel in.  Omdat hij de bruid geleverd had, kreeg hij een voorkeursbehandeling. 
Gerard, Remco en ook buurman Ed kwamen op de wachtlijst. Mijn Altenburger- Arabische duo leverde op bestelling en had daar hun snavels vol aan.
© c.u.

zondag 18 december 2011

Oeps een probleem

Als duif kun je in de winter wat meemaken. De wereld is opeens wit en dan raak je wel in de war soms.
Er klinken knallen, het sneeuwt en je baas heeft je de dag ervoor een paar rondjes laten vliegen.
Je schrok je de ziekte van  zo'n vuurwerkbom en in paniek stoof  je weg.
Pas de volgende dag vond je je hokkie terug. Maar er stond een grote sneeuwpop in de tuin en er lag daar een   grote hoop poedersuiker op de klep van je tweepersoons duivenbungalow. en zie dan maar eens binnen te komen........


Waar is nou de voordeur
hoe kom ik er  nou in
Nou  fijne kerst en  en een goed vliegjaar
Een witte man in de tuin en dat is je baas niet



tekst en foto's C.U.

zaterdag 17 december 2011

Kerstslingerduiven

 

 

De kerstboom; gisteren heb ik die opgetuigd.  Zestien december nog net op tijd kun je zeggen; ik ben daar altijd laat mee zoals met veel. Mijn duiven zitten nog niet gescheiden; ik koppel laat. Winterjongen hoef ik niet.
De  opgetuigde kunstboom staat nu voor het raam met uitzicht op de tuin met duivenhokken. De ballen, klokjes en geverfde dennenappels heb ik op goed geluk over de donkergroene takken verdeeld. Het voordeel van zo’n kunstboom is dat  ie geen naalden laat vallen. En de takken kun je alle kanten opbuigen, waardoor je  de dennenboom kunt modelleren. 
Als laatste heb ik  mijn kunst - den opgesierd met een slinger van duiven.  Vliegende duiven; hun silhouet lijkt op het duif –embleem dat vroeger links boven aan de voorkant van  Nederlands bekendste Duivenblad prijkte. 
Waar koop  je nu zo’n sliert vliegende postduiven, vraagt u zich af. Ze liggen niet in de winkel voor het oprapen.

Wel, december voorvorig jaar bezocht ik met een  bevriend duiven echtpaar, Harm en Adrie,  een tentoonstelling in een voormalig vissersdorpje.  Het was er gezellig. Echte sfeerscheppers wonen er daar  Langs de kant kooitjes  met mooie duiven. Ergens in een hoek stond een versierde boom met een duiven – kerstslinger.
Ik stootte A3 aan.Niet te verwarren met het grote formaat kopieeerpapier. A3; zo wordt ze  genoemd door haar dochters  want die zijn  een beetje stapel van de Vlaamse  meidengroep K3. 
Nooit van gehoord zegt U. Ter verduidelijking; 3 Vlaamse duivinnen, vrouwen dus, van in de veertig die spelen dat ze nog op de peuterspeelzaal zitten. Ze huppelen, zingen en hebben vlechtjes in het haar, kortom geen gezicht!

Dus zei ik  tegen onze A3,' kijk een slinger met duiven; die wil ik hebben, ga vragen of we hem kunnen kopen en  desnoods jat je hem maar voor mij. Bonnie en Clyde op het dievenpad bij een duivenexpositie! De politie in dit vredige  vissersdorp zal ons niet overhoop schieten.'
Ze verdween  naar de bar, smoesde daar wat met het dienstdoende personeel, liep vervolgens naar de opgetuigde  groene zilverspar en kwam met de begeerde postduivenslinger terug.
’Kost niks’, zei ze.
Kijk, dacht ik, die kun je tenminste om een boodschap sturen.

Ze liet haar buit voor mijn neus wiebelen en riep ik wil er de helft van, ga jij eens een schaar halen.
Daar had ik geen zin in. Ik zag me al  tussen de bierdrinkende vissers vragen om een schaar!
Met een nagelknippertje deelden we de versiering in twee ongeveer gelijke helften.
Zo komt het dus dat er aan het einde en het begin van het jaar een  halve slinger zilveren vogels in onze respectievelijke woonkamers kan hangen. 

Duiven aan een ketting! Soms zou je willen dat je ze aan een touwtje had!
Ze passen bij mij goed want mijn duiven slingeren zich vaak via allerlei omwegen zigzag naar huis en komen dan vaak veel te laat. Ik zit er niet mee want er valt veel in de duivenhobby te genieten.  
 En misschien is  het  helemaal geen gek idee als de mannen van het Nederlandse Postduivenorganisatie in de toekomst duiven - kerstversierselen gaan verkopen dan hoeven we  geheim agente A3 niet meer op roof uit te sturen.
C.U.

maandag 12 december 2011

Muizenissen


Vroeger had ik last van muizen. Als ik ‘s avond in de schemer  mijn ‘duivenpaleizen’ ging inspecteren, zag ik ze bij tientallen heen en weer rennen in de broedbakken, langs de zitplaatsen en over de vloer.  Van die observatie werd ik niet vrolijk. Zelfs in dromen doken muizen op. Ik zag ze soms op mijn plaats voor de klas zitten.
M’n duiven raakten van dat gekrioel niet in paniek. Maar dat stelde me niet zo gerust. Ik had van verschillende melkers gehoord dat muizen de dood in de pot was. Je vloog geen platte prijs! Bovendien stonk de pis; ik kon ze bij hun acrobatische toeren ruiken. 

Natuurlijk nam ik passende maatregelen; zette alle mogelijke vallen, strooide met milieu- onvriendelijke korrels en riep de hulp in van mijn roodharige kater Hubert. Die leefde toen nog, had nog geen last van de katten midlife crisis en maakte fris en vrolijk jacht op het muizengespuis. Die  vermenigvuldigden zich echter zo snel dat ook hij tenslotte dacht: baas bekijk ‘t maar!. 
Met mijn duiven bakte ik er op de wedvluchten inderdaad  weinig van, maar ook voor de muizenplaag was ik geen groot kampioen.
Om een lang verhaal kort te maken: na ruim een jaar was ik muisvrij. Opeens waren ze weg! Ook uit de buurt; want ze zaten in die tijd overal. Misschien was het een goed muizenjaar, zoals je kunt spreken van een goed appel- of pruimenjaar. 

Zo gebeurde  het  in de hoogtijdagen  van het muisgespuis eensdat een verre zijstraten buurman,Rob heette hij, ’s nachts met zijn auto het plein achter onze huizen opdraaide en dat hij in het licht van de koplampen honderden muizen op de parkeerplaats heen en weer rennen zag, althans dat vertelde hij!

 ‘Ja echt, Cor,’zei hij,’het leek of die beesten daar een vredesdemonstratie bijwoonden of het kampioenschap van een soort Muizen- Ajax  vierden..’
‘Hoeveel had je gedronken,gerookt en gesnoven,’vroeg ik.

Dat was niet aardig, want buurman Rob was een betrouwbare en nuchtere zakenman, die breedbeeldtelevisie’s en stereotorens van hele dure merken verkocht.

Een paar weken  later was ik op een voorjaarsbeurs voor Duivenmannen. Daar zag ik  een stand, waar ze een muizenval aanboden. Het was een kistje met bovenin een gaatje.Aan de voorzijde was plexiglas; aan de binnenkant zaten borstels, die ronddraaiden als de demonstratiemuizen in het kistje waren gekropen en al rondcirkelend kwamen ze dan in het onderste deel van de speelse gevangenis en konden niet meer ontsnappen.’Die Dohmen Falle”heette die fantastische uitvinding! Wat een prachtige naam, om je vingers aan af te likken!

De handleiding die we van een oogstrelende standjuf aangereikt kregen, was geestig en met  kennis van zaken samengesteld. Ze bevatte wat muizenbiologie. Daaruit leerde je dat de huismuis inclusief staart 19 cm lang kan worden, dat het vrouwtje vanaf de 28e dag vruchtbaar is en rekenkundig 50 miljoen nakomelingen kan krijgen. 
Dan had je nog verschillende soorten muizen: bijv.: de scheermuis, de veld- en bosmuis, de brandmuis, de hazelmuis, de berkmuis en de zevenslaper.

Verder lazen we dat je spelenderwijs muizen vangen kon, want de “levende val” ofwel”de speelkist was voor elke muis onontkoombaar, want die ronddraaiende borstels werkten verslavend. Net als de hamster in zijn molentje konden de muizen niet genoeg krijgen van het spel!. 
Per nacht konden wel 12 muizen gevangen genomen worden en de volgende dag kon men het beste in  bos of  weiland de dieren vrij laten. Daar hebben de muizen natuurlijke vijanden, bijv roofvogels, vossen. Tot zover een greep uit het foldertje met  instructies.

Gina denkt baas je bekijkt het maar

Gerard met wie ik de manifestatie bezocht was tot tranen ontroerd van het lachen en kocht spontaan de muizenspeeldoos.
‘Heb jij last van muizen,’vroeg ik, verbaasd, want Gerard vliegt goed. ‘Nee’, lachte hij,’maar ik vind het zo’n leuk kistje’, moest jij er geen?’
Dat hoefde ik niet want ik ben een beetje conservatief en behoudend en heb meer vertrouwen in een ouderwetse degelijke muizenval en ik heb tegenwoordig geen muizen, al een paar jaar niet. Waarom? Dat  moet je me niet vragen. 
Aan de kat die ik tegenwoordig heb,ligt het niet. Ze heet Gina en is geschift en vangt alleen maar vliegen .De muizen zijn weg. O ja, voor ik het vergeet: mijn duiven presteren de laatste jaren  weer een ietsjepietsje beter en buurman Rob is inmiddels naar een nettere buurt verhuisd.

maandag 28 november 2011

Klaverjassen


We zitten op de grens van herfst en winter. In de winterweken worden er in veel clubs kaart - , sjoel - en dart avonden op touw gezet. Dat is aan mij niet besteed. Als ik een hele zomerlang vele middagen en avonden  tussen mijn huis en het clubgebouw heen en weer gependeld heb voor inkorven en afslaan, wil ik wel eens op adem komen. Een poosje rust, even geen duivenmelkers gezichten.
Ik hou zogezegd een winterslaap. Daar komt bij dat ik geen klaverjasfan ben. Dat ligt niet aan mijn clubgenoten. 
Mijn tegenzin heeft te maken met de broers van mijn vader. Zij wilden mij vroeger op hun veeboerderij  klaverjassen leren. Zij speelden dat spel met de vuist op tafel, dronken citroenjenever en schreeuwden alsof het oorlog was  Oom Roelof, mijn kaartmaat, ging vreselijk tekeer als ik niet spekte als de slag aan hem lag, als ik niet seinde welke kleur ik had.   

De drie ooms vonden mij een achterlijke gladiool wanneer ik  het spel roekeloos  met  een  handvol slechte kaarten wilde spelen. Ze scholden mij de huid vol en  probeerden mij stiekem dronken te voeren met hun  zoete groene jenever. Om kort te gaan daarom kaart ik dus niet op duiven - kaartavonden.

Wel wip ik heel zelden op zo’n avond  langs. Je moet als bestuurslid belangstelling tonen!
Dan zit ik op een kruk aan de bar bij juffrouw Jenny. Her en der aan tafeltjes zitten mannen en vrouwen  rustig kaarten te schudden. Er wordt niet  getierd en gescholden zoals vroeger op de boerderij. 

Rond een sjoelbak hangen wat vrouwen; als enige  man doet Jan onze voorzitter daar sportief mee en laat de sjoelbrikken  keihard tegen het hout knallen, zodat ze terugketsen. Het dartbord hangt er troosteloos bij, darten wil in onze club niet van de grond komen.
Uit een paar geluidsboxen klinkt zacht wat countrymuziek; Loes en Adrie proberen Willem en Bertus de fijne kneepjes van het linedancen bij te brengen.
Al met al is het een vredig tafereeltje. Het is goed voor de intermenselijke contacten.

Ik bestel bij Jenny  een cola speciaal en zeg tegen haar:’ Kaarten, sjoelen dat zouden meer mensen   doen. Ook die jongens van de politiek bijvoorbeeld. Ik zie het al voor me: samen aan een tafeltje; Balkenende, Zalm,  Geert Wilders  en Van Duyvenbode van Groen Links. De laatste bestaat echt hoor, ik verzin het niet! 
Bij de sjoelbak  wat ongeregelde kamerleden, burgemeesters en meer van zulk volk. Dan een camera van de televisie erop en je hebt een mooi programma. Daar kan geen Barend en Van Dorp tegenop.’

‘Waarom klaverjas jij niet?’vraagt ze,’dat is toch gezellig!’ ‘Dat kan ik niet, van troef en zo snap ik geen bal. In harten jagen en pesten was ik goed, maar dat doen duivenmelkers niet.’
Ze knikt en vraagt of ik straks ook een kroket wil.
‘Ja lekker, met nog zo’n getikte cola’,  brom ik.
En ik denk aan Oom Roelof zaliger:’Oelewapper’, riep hij.  Nee. Klaverjassen niets voor mij.
C. U.

vrijdag 18 november 2011

Duiven en kabouters

Laaf leest duivenkrant



 Het was 1e Pinksterdag. Ik had m’n jonge duiven ‘ schoon’  water gegeven. Toen ik een klein uurtje later ging inspecteren was  de drinkpot leeg en kurkdroog. Dat was op z’n minst verontrustend. De jonge garde moest niet zo maar de zuipziekte krijgen. Ik gaf nieuw leidingwater en ging even later nieuwsgierig kijken. 
Er zaten geen jongen rond de drinkpan; die zaten allemaal onschuldig op hun schabbetjes te koekeloeren. Maar het water was al bijna weer op!
Hadden de kaboutertjes dat op hun geweten? Ik tilde de metalen waterbak omhoog; er druppelde water af. Er zat dus een gat in de bodem. Bingo….het raadsel was opgelost.

Nu had ik een probleem; mijn voorraad drinkpotten was op. Waar toverde ik tijdens de feestdagen zo gauw een nieuwe pot weg. 
Opeens dacht ik aan Andries; een  bevriende duivenmelker die noodgedwongen een zittend leven leidde. Die wist altijd overal antwoord op en had een ruime voorraad van de meest uiteenlopende rariteiten. De kans dat hij iets had waaruit mijn duiven konden drinken was groot!

Even later was ik op visite; werd getrakteerd op thee, limonade  en Pijnenburgkoek. Ja  en o zeker: ik mocht kiezen uit een riante collectie drinkreservoirs; hoog, laag, plastic en metaal. Dankzij  dat  drinkpangaatje werd mijn dag toch nog gezellig…. 
Behalve duiven had die Andries ook nog andere hobby’s; hij figuurzaagde of zaagde figuur; het is maar hoe je het bekijkt en hij verzamelde in zijn Lilliputtertuintje allerlei soorten dwergen, kabouters en andere vreemde figuren van steen, kalk of gips.

Omdat ik mijn  Powershot S30 op zak had begon ik uitgebreid plaatjes van dat gipsvolkje te schieten. Een andere bezoeker van Andries kwam op het idee om een van die dwergen een krant in de knuisten te duwen. Hij griste het NP Orgaan van het tuintafeltje  en riep:’ Hier dit moet je op de foto zetten, kijk zelfs kabouters lezen de Duivenkrant.’ 
Met plakband werd vervolgens het duivenblaadje aan Eftelingachtige figuren bevestigd en nam ik vanuit  allerlei hoeken en gaten een foto’ 

Gert, de  duivenzoon van Andries was ondertussen terug van het Brive -duivenlappen in Hank.Hij keek sceptisch naar mijn capriolen en vroeg:’Zeg,waar ben jij eigenlijk mee bezig?’
‘ Een plaatje voor het Orgaan’, lachte zijn Pa. 
‘Die zetten hem er toch niet in. Ze zijn niet gek! Zijn er al duiven thuis en wat doet die  nieuwe schone drinkpan daar’ , bromde Gert. 
Zijn humeur moest nog op temperatuur komen. Dat was duidelijk.

©.c.u.