zondag 8 januari 2012

Duivenogen

 Het draaide  zo rond de jaarwisseling in onze vereniging allemaal toch vooral om duivenogen en hun geheimen  De foto hieronder is gemaakt door Johan van Vliet


Tijdens de nieuwjaarsreceptie was er duivenfotograaf Louis vvan Zuijlen die met zijn assistente  eerste prijswinnaars van de club portretteerde en ook een close up opname van het duivenoog maakte. Dat leverde bijvoorbeeld het volgende tafreeltje op. Zo te zien moet dit wel echt teamwork zijn

donderdag 5 januari 2012

Buren en buren

Miss Money Penny bij haar drinkbak

‘Ik heb aan je gedacht,’ zei ze.
‘Hoe zo, ‘ vroeg ik. Het was  een van mijn leerlingen die bezorgd naar mij keek.
‘ Nou,’ ging ze verder,’ er was gisteravond een programma op drie en dat ging over buren die elkaar niet kunnen uitstaan.’
‘Leuk hoor,  en jij denkt dat ik een slechte buurman ben?’
‘Jij hebt toch postduiven?’
‘ Oh wacht eens, ik snap het al, ik heb een staartje van dat programma gezien; er stond een man in z'n tuin te roepen en te fluiten en met een busje te rammelen. Z'n buurvrouw werd daar boos om.’
‘ Heb je nooit last met je buren’, vroeg ze. ‘ Eh ,hoeveel duiven heb je eigenlijk?’
‘Veertig of vijftig, ik weet het niet precies,’ antwoordde ik en zag haar verbaasde blik.
‘ Hoe moet dat dan met die stront en het wasgoed van je buurvrouw,’ wilde ze weten.
‘ En die beesten maken toch ook lawaai!’

‘Hoor eens Anna, die buren van mij hebben in de voorbije vijftien jaar nog nooit geklaagd. 
Laatst heb ik Corrie, m'n buurvrouw van links, nog gevraagd hoe vaak er al iets op haar wasgoed gedaan was en op de dekens en lakens die ze elke morgen uit het raam hangt, want ze is schoon, die buurvrouw van me. 
Ze klopt elke morgen al haar mooie dromen uit lakens en dekens en  begreep eerst niet wat ik precies wilde. Het was nog nooit gebeurd voor zover ze zich het herinnerde; poep op  haar witte was.'
Anna's blik was een en al ongeloof en verbazing

‘ Luister, Anna, mijn duiven zitten niet de hele dag buiten.  En het is een nette bedoening. Hun hok wordt geregeld met een strontstofzuiger of krabber geschoond. Ze krijgen kwaliteitsvoer en  elke dag schoon water in een mooie drinkpan
Ze mogen op vaste tijden in kleinere groepjes vliegen en komen dan direct weer binnen om te eten en hun behoefte doen ze in het hok.
Kijk, als buren een hekel aan elkaar hebben, elkaar niet zien zitten of staan dan hebben ze natuurlijk overal last van. 
Alleen al 't gezicht van die buurman bevalt je dan niet en z'n stem vind je niet om aan te horen. Als zo'n man goudvissen houdt of kippen  is het ook niet goed. Zo zit de vork in de steel, Maaike’

Ze knikte en zag in dat ze toch niet genoeg argumenten had  om het gelijk van de boze buren te onderbouwen.
‘ En al die duiven in de stad,’ probeerde ze nog, ‘ die maken er toch een geweldige klerezooi van?’
‘ Dat is een soort ongedierte,’ sprak ik, ‘ dat zijn geen postduiven.’
‘ Oh, zit het zo,’ zuchtte ze en liep het lokaal uit.
 Vaak moet ik mij op allerlei manieren  verdedigen als ik vertel dat ik duiven heb.
En ik moet uitleggen dat die vogels het leuk vinden dat ze bij mij  mogen wonen.  Dat is niet steeds even makkelijk.

Vroeger was er  een tv programma dat ‘ Buren’ heette. Op kanaal vier, dacht ik. Toen ik wat heen en weer zapte, werd mijn aandacht getrokken door woonboten vol met duiven. Het was niet te geloven; het waren er honderden en de interviewer praatte met een oudere mevrouw die  de dieren voerde. Dat mocht ze niet meer van de rechter op straffe van vijfhonderd gulden boete iedere keer als de arme dieren wel wat gaf.
Die woonboten werden in hoofdzaak gebruikt door de meisjes van plezier; een krankzinnige situatie, als je daar bij stilstaat. 
De presentator wilde horen of de oude 'dame' ook in het leven had gezeten. Maar die kreeg lik op stuk.
Ze riep iets van :’ dat gaat je niets aan, ik geniet van mijn  A.O.W. en  het is toch geen misdaad als je wat duiffies voert!’
Een bewoner van een van de huizen uit de omgeving kreeg ook het woord. Hij vond dat het inderdaad de spuigaten uitliep. Die beesten bleven niet op die boten zitten. Nee, ze waren wel wijzer; die kwamen 's avonds  bij hem op het dak slapen en bij z'n buren. Hij wees en zei:’ Kijk daar, zie je wel wat een smeerboel?’
Hij had wel gelijk, vond ik.
©.c.u.

dinsdag 3 januari 2012

Maretakken een troosteloze boom en een duiventil

bomen overwoekerd  en geplaagd door maretakken






een treurboompje in de Auvergne


een duivenkasteeltje maar onbewoond
een duiventil als een echt bastion en met een heuse voordeur

donderdag 29 december 2011

Het oude damspel



Het dambord van  wijlen mijn oom Roelof
had een dubbele bodem  en een laatje.
Bij het dammen maakte hij een praatje
dan lette z ‘ n tegenspeler niet goed op


 stond hij aan je achterlijn had een dam
 en wist je niet door welke slag dat kwam.
De stenen hadden een ster of een stip
 wel mooi maar hij versloeg je in een wip.

Zijn dam sprong als een kikker heen en weer
Je  stenen  schoof hij in het dambord laatje
Hij zei je mag wit we doen ‘t nog een keer.

Royaal liet oom zijn neef wat slagen winnen
Intussen kwam er in je stelling weer een gaatje
zo sloeg zwart toe en niks  kon wit beginnen.

maandag 26 december 2011

De geschiedenis met Hans en Koos


                                                                 .
Aan het eind van een zomervakantie kreeg ik  eensvan mijn Amsterdamse dochter twee konijnen. Daar was ik niet blij mee.
‘ Luister eens, ik heb al  twee katten en vijftig postduiven,’ protesteerde ik. Dat argument maakte geen indruk.
‘ Het is tijdelijk’, riep ze enthousiast.
‘ Dat heb ik meer gehoord,’ bromde ik.
Ik ga kostgeld betalen, zei ze, en die beesten konden op haar kleine balkon in de Jordaan niet uit de voeten. Ze zei dat het 2 mannetjes waren en dat  gaf geen problemen. Die noemde ze Hans en Koos. Ze had een rijke fantasie.
De volgende dag bracht ze de knabbelaars met hok en al. Ik gaf haar als beloning  3 verdwaalde duiven. Die mocht ze  bij haar huis op de Lindengracht loslaten. Eentje kwam  uit Beverwijk, de andere twee moesten naar Drachten en Enschede.
  
‘s Middags kwamen De Pastoor en Bromsnor van het CCG bestuur langs. Ze wilden  Afdelingsproblemen bespreken. Ze waren in een jolige bui! Toen ze Hans en Koos zagen, waren de grappen niet van de lucht
‘Stop  je  met duiven, word je lid van een konijnenclub,’ vroeg Bromsnor.
‘Dat is zijn nieuwe geheime wapen! Hij denkt  dat de duiven gemotiveerder komen als er dakhazen  zitten te wachten!’ hakkelde de Pastoor
‘Dakhazen zijn katten,’ corrigeerde ik.  Oh, wat was het geestig; ik was blij toen ze na de koffie weg waren.

Na een week belde ik dochterlief. Ik had zorgen: Koos en Hans besprongen elkaar. Dat kon onschuldig zijn, maar ik wilde haar toch van dat driftige gewip op de hoogte stellen. Ze was er niet. Na de pieptoon mocht ik een boodschap inspreken. Praten met antwoordapparaten vond ik lullig; zeker als je het over konijnen ging.
's Avonds belde ze terug. Mannetjes deden het ook met elkaar, stelde ze gerust.
‘Heus, pa, er komt niets van! De man van de winkel heeft gezegd dat het mannetjes zijn!  Ja, die duifjes heb ik laten vliegen, eentje ging er in de boom zitten, dat was leuk.’
Ik geloofde haar gebabbel niet.

De volgende dag kwam Ko, een liefhebber uit de straat.
‘Konijn is lekker,’ sprak hij toen hij Koos en Hans zag
‘Dit zijn dwergkonijnen’, wierp ik tegen,’ die zijn te  klein.
‘Je kunt ze in mei bij je weduwduivinnen gooien. Die gaan niet op de vloer nestelen als er konijnen rondhuppelen, dat stond in het duivenblaadje, ’ ging hij verder.
‘Daar wennen ze aan en ze vreten die konijnenkeutels op,’ zei ik.
Die dochter van mij had me  mooi opgezadeld met die dwergsnuffelaars. Alle bevriende  duivenmannen die op de koffie kwamen, hadden commentaar.
‘Wie zijn geld wil zien verstuiven; hij koopt konijnen en duiven,’ zei mijn oom Albert zaliger als hij van mijn postduivenhobby hoorde. Hij had een melkveehouderij en vond het zinloos geld uit geven aan andere dieren dan koeien.
En nu had ik ook konijnen.

Inmiddels gingen de weken voorbij. Het weer werd triester; de donkere dagen voor Kerstmis. Nieuwjaar zat er aan te komen. Ik knipte in die eerste winterdagen de coniferen en  maakte het buitenhok van Hans en Koos schoon; het was een smeerboel, het hok was in de voorbije dagen natgeregend. De jongens hadden een gigantisch berg  keutels geproduceerd. 
Ze kregen verse stro en hooi. Koos sprong uit het hok; ik greep hem nog net in zijn nekvel en smeet  hem terug. Vervolgens begon ik aan het nachthok. Het deurtje wilde niet open; het hout was uitgezet door de regenval. 
Met een hamer en een schroevendraaier wrikte ik de voorkant open. Het daglicht nam bezit van de konijnenslaapkamer; achter een berg stront en stro lagen zeven of acht zwarte konijntjes die ontzet alle kanten uitstoven. Ik was overdonderd. Wat moest ik daar in Vredesnaam mee!

Als er in het voorjaar lammetjes geboren werden, riepen de mensen:’ Het wordt lente.’ Maar wat zei je als er met Kerst konijnen geboren werden! Konijnen en Kerst hoorden bij elkaar, maar deze bunnybaby's waren voor de komende feestdagen niet rijp voor de braadpan.
Hans en Koos hadden verkeerd gepland. Bovendien wie was Hans en wie was Koos; wie was het vrouwtje? Dat probleem moest ik  oplossen. Mijn anatomische kennis van deze knabbelsoort was niet groot.
Ik zat in moeilijkheden; dat was zonneklaar
Nu had ik plotseling tien van die knaagdieren. Besluiteloos liep ik mijn tuin rond In tuinieren had ik geen zin meer. Ik schoof de superval van 't duivenhok op zij; de doffers die al gescheiden zaten, stormden naar buiten.
 Ik kwam  een van mijn drie katten tegen. Het was de oude roodharige Hubertus. Hij was veertien jaar en zijn jachtinstinct stond  op een laag pitje. Mollen, goudvissen, lijsters of jonge konijntjes; vroeger bracht hij alles mee  Van hem viel niet veel te verwachten. 
Wat moest ik met acht konijnen? En dan was er nog een kwestie! Ik wist  dat je bij een nest konijnen de vader moest verwijderen, omdat hij  anders zijn kinderen de strot afbeet.  Maar wie was de vader ! Welk beest moest apart?
Ik belde mijn dochter. Ik vertelde haar van de blijde gebeurtenis; ze lachte uitbundig. Ze vond  't  het  einde. Ik ook.
‘Je moet geboortekaartjes versturen, Pa,’ plaagde ze
‘En jij lost het op,’ riep ik giftig, ‘het was tijdelijk en nou zit ik met de brokken.’
Ze zou haar best doen. Even later belde ze terug. Ze had het. Ze wou de jonkies verkopen op de Albert Cuyp markt als ze groter waren.
‘Je moet nog  even  op ze passen’, zei ze, ‘Het is maar tijdelijk, heus Pa’
‘Dat is met veel in het leven zo,’ mopperde ik, ‘wanneer maak je kostgeld over.’

Hans en Koos moest ik nog scheiden. Aan Ko vroeg ik, hoe ik het sekseprobleem kon oplossen. Die zei:’ Je moet dat nieuwe clublid, die Van der Bor vragen. Hij is veearts geweest en heeft verstand van zaken’.
Bor de Wolf,  zoals  onze aanwinst  genoemd werd, kwam een paar dagen later. Het was een man met een volle baard en een  sigaartje. 
Hij greep spartelende Hans in het nekvel, keerde hem om, duwde ‘t korte staart op zij en sprak:’ Kijk, dit beestje heeft een pijltje.’ Hij blies er wat rook over, zette Hans weer op zijn landinggestel, keek mijmerend voor zich en zei:’ Als je die beesten kwijt wilt,ik lust ze wel’
‘Ik zal er over denken,’ beloofde ik, en ik liet hem de poort uit. Toen ik de tuin inliep, zag ik Hans en Koos met hun voorpoten tegen het gaas. Over een paar weken was ’t Kerstmis, het feest van die andere geboorte en wat het nieuwe jaar hen nog kon brengen wisten ze gelukkig niet.
C.U.
 

zaterdag 24 december 2011

Een paleis van asbest

Als je goed kijkt zie links van het varkenskot overgrootvaders duiventil

Mijn allereerste duivenhokje was beginjaren vijftig een zoldertje in de garage van mijn vader. Hij had een volkswagen kever. Dat was er nog een met zo’n brilletje. Mijn  kleine duivenzolder bevond zich in de nok van die stalling. 
In de voorgevel van onze autoschuur zaten twee vlieggaten. Om mijn duiven te kunnen verzorgen moest ik op een hoge houten keukentrap klimmen. Balancerend  op de laatste trede kon ik met moeite mijn zes postduiven voer en water geven, of de  strontproductie  proberen weg te werken.
‘Geef jij je duiven weer een schone luier,’ riepen mijn zusters dan smalend. Ze vonden dat ik er een belachelijke liefhebberij op nahield.

Trouwens mijn hele familie was antiduif. Dat was eigenlijk wel raar want mijn overgrootvader hield al duiven. Op een paal naast zijn boerderij stond een rond hokje met vlieggaten. Het duiven houden zat dus in mijn genen kun je zeggen. 
Mijn vader zeurde ik maandenlang suf om een nieuw en beter hok maar hij had er geen oren naar. Het was zonde van het geld. Eigenlijk wilde hij ook het voer niet betalen dat nodig was.  Hartstikke zonde vond ie dat!  
 In die tijd begon ik ook mijn gevederde vrienden bij te voeren met oud droog brood. Een gewoonte die ik sindsdien niet meer kwijt raakte. Ook nu nog strooi ik als een soort Duivenkleinduimpje broodkruimels om mij heen.

Een onverwachte gebeurtenis bracht tenslotte verandering in de huisvesting van mijn postvogels. Een buurmeisje wilde op een dag graag mij en mijn duiven eens inspecteren. Bij die bezichtiging klommen wij samen bovenop de wankele trap. Het was een spannende onderneming. 
De garagevloer was van zand en leem en het was een hele kunst om wiebelend je evenwicht te bewaren. De keukentrap donderde natuurlijk om, wij maakten een flinke smak en lagen opeens tussen de brokstukken. Het buurmeisje was ongedeerd. Ik had wat schrammen en ontvellingen geoogst.
Mijn vader vond het allemaal zonde vooral vanwege die vernielde trap.
De buurvrouw was boos omdat haar dochter vuile kleren had en mijn zusters plasten zowat in hun broek van het lachen.

Toch werd die valpartij de aanleiding voor een nieuw hok. Zo kon het niet langer. Het mocht evenwel geen geld kosten. De plaatselijke timmerman stond  nog bij mijn vader, die politieman was, in het krijt. Misschien was er een oogje dicht gedaan bij een of andere bouwfraude.
De timmerman leverde dus gratis materiaal voor het andere hok. We kregen een soort dunne grijs gele platen die op latten getimmerd moesten worden. Het spul brak heel makkelijk. Waarschijnlijk was het een  ondeugdelijke partij asbest, waarmee de timmerman in zijn maag zat.
Hier poseer ik vol  trots voor mijn 1e echte duivenhokje van asbest

De nieuwe duivenwoning werd heel hoog en smal en kreeg geen vloer. Het hok had geen binnenbetimmering en in plaats van glas was er gaas. De duiven liepen gewoon op het zand. Kortom een koud en ongezond hok waar de vliegvorm ver te zoeken was. 
Om het een beetje goed te maken verfde ik de binnenkant met een witte naar anijs ruikende muursaus.  De zandbodem had het nadeel dat de duivenmest met hele plakken aan mijn schoenen bleef kleven en dus kreeg ik ruzie met mijn moeder omat ik de voeten niet goed veegde.
Het buurmeisje mocht niet meer naar die gevaarlijke buurjongen met zijn duiven en kwam niet meer kijken. Maar ik was blij met mijn nieuwe duivenpaleis.

De duivenbevolking  breidde  zich nu snel uit met een zilverschone doffer: een mooie vale, helaas zonder ring, een vetblauwe duivin met een los oog en een aanvlieger uit het Saarland, het grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland. 
Die duif liep mij overal achterna, at uit mijn hand en ging op mijn hoofd of schouder zitten Het was een hele makke duivin, eigenlijk  een nieuw vriendinnetje dat ik dus Saartje noemde.
Toen ik bijna dertig jaar later drie duivenhokken bouwde, kwam op een daarvan een asbestgolfplaat. Mijn  linker en rechter buren maakten zich daar  zo niet  druk om, zolang ik  er maar niet in ging zagen en boren of de zaak in brand stak. Mijn duiven hadden er geen last van en vlogen de pannen van het dak zoals dat in het duivenvakjargon heet.
Duivenhokken die helemaal van asbest gemaakt zijn, vind je nog bij hoge uitzondering.

Op een  herfstdag van de voorbije eeuw ging ik met clubgenoot Gerard naar België. Hij wilde in Heist op den Berg, omgeving  Lier wat late jongen aanschaffen. 
In het najaar krijgt Gerard altijd koopkriebels. Een ander wordt depressief van de gele herfstbladeren. Hij zal en moet duiven aanschaffen om zijn hok te versterken.
De Belgische liefhebber die in onze ogen riant woonde  bezat in zijn diepe tuin, achter een hoge coniferenhaag een aantal  oude bouwvallige hokken die van onder tot boven  helemaal waren bekleed met een soort grijswit plaatmateriaal. 
Asbest? Bij die gelegenheid moest ik aan mijn eerste echte duivenhokje denken en aan mijn wel heel kortstondige romance met dat buurmeisje op een keukentrapje.

woensdag 21 december 2011

Getrommel op het dak

Altenburger trommelduif


Enige tijd geleden kreeg ik een trommelduif op bezoek. Daar zit muziek in, zult u zeggen. Tot op zekere hoogte was dat zo. Het beestje trippelde in de dakgoot. 
Er klonk een  wak-  wak geluid, in combinatie  met klokkend gefluit. Als  de duif  op dreef kwam,  zong hij een duet met zichzelf en leekt ’t of er ergens een tweede herrieschopper op mijn huis domicilie had gekozen. 
De trommelaar was een ‘hij’ dat had ik intussen vastgesteld want mijn duivenkennis is groot.
Mooi vond ik de blauwe vogel niet, de onbekende muzikant leek  een beetje op een vuilnisbakkruising tussen post- en stadsduif. Mijn buurman Ed ,die twee sierduiven heeft, kwam op ’t wonderlijke geluid af en zei:’dat is een Turkse trommelduif!’
Waar hij die wijsheid vandaan had, Joost mocht ‘t  weten. Ik had m ’n twijfel.

Na een dag liep de vreemde trommelaar mijn duiventil binnen. Duivenmelkers beweren wel dat hun duiven elke vreemdeling er met snavelpikken en vleugelklappen uitgooien. Maar niks gebeurde, terwijl die nieuwe toch  heel anders koerde dan zij gewend waren.
Op de drumsolo’s die de brutale vlerk ten beste gaf, hadden ze geen passend antwoord. Op z’n zitje keek hij met zijn  lichte kraaloogjes rond met een air van; hier ben en blijf ik!

Omdat het dus een trommelmannetje was, moest er natuurlijk een dito vrouwtje komen. Ik belde Sierduiven- Koos die op vogelmarkten geregeld bijzondere fladderaars scoorde. Hij kwam prompt met een trommelmeisje op de proppen. 
De nieuwe geliefden kregen een hokje in mijn fietsenschuur Het wak- wak- fluit- klok- mannetje was meteen een stuk rustiger. Veel mannen hebben dat. Als ze onder elkaar zijn het hoogste woord en komt  vrouwlief in de buurt dan zingen ze direct een toon lager. De kersverse duivenbruid zei niet zoveel trouwens. Er werden eieren gelegd en jonkies geboren.

En ik wou nu wel eens exact weten met welk soort trommelduif ik van doen had. Uit de boekhandel – rommelbak viste een lijvig baksteendik boek getiteld:’De 500 mooiste duivenrassen van A  tot Z van Hans Joachim  Schille en Josef Wolters.
Na wat bladeren en zoeken kwam ik via de Bulgaarse tuimelaar, de Deense Raadsheer en de Roemeense kaalhals, vrij snel uit bij  de  Altenburger en Arabische trommelduif. De Schmöllner, Harzburger en Tsjechische trommelduiven kwamen niet in aanmerking want zij hadden sokkenpoten.
 Altenburger klonk dichtbij en vertrouwd. Arabisch was exotischer maar Ed had het niet helemaal goed want Arabieren zijn geen Turken.

Het Altenburger ras komt uit Oost- Thüringen, vertelde mijn dikke sierduiven- boek, De duiven hebben een kop met hoog voorhoofd en een naar achteren hellend profiel. Ze beleven groot plezier aan hun wak- wak- trommel geluid. De best trommelende duif krijgt op de tentoonstelling de eretitel’ Kampioenstrommelaar’.
De Arabische zouden echter bij trommelwedstrijden ongetwijfeld als beste uit de bus komen. Hun stem is hoger dan bij de Altenburger drummers en het geluid wordt op een zingende manier geproduceerd. Het kleurscala is groot. Ze zijn zeer vruchtbaar en het komt voor dat de duivinnen ook trommelgeluiden maken, een eigenschap die bij andere rassen ontbreekt.
Verder kwam ik te weten dat er in Nederland zelfs Trommelduifverenigingen bestaan. Een telefoontje met een bestuurslid van zo'n club uit Rijssen maakte me heel wat wijzer en  hielp me uit de droom dat trommelduiven minder mooi waren dan postduiven.
Trommelduiven waren om precies te zijn erg interessante en mooie vogels en zeker niet lelijker dan postduiven, die  bovendien ook nog eens niet konden trommelen. En als ik dat niet geloofde moest ik maar even in Rijssen komen kijken.

De vraag wat er nu eigenlijk in mijn schuur zat, kon ik niet trefzeker beantwoorden. Het mannetje was een kras, blauwgespikkeld dus, het  wakte en zong. Zijn vrouwtje  droeg een roodbruin gevlekte  robe  of outfit en ze hield haar snavel. 
 Waarschijnlijk had ik een trommelhuwelijk tussen een Arabische en Altenburger duif gearrangeerd, een tambour-maître en een majorette. Hoe dan ook hun kinderen groeiden voorspoedig op. 
En er waren warempel een paar zeldzame postduivenhouders die wel zo’n vrolijke sierduif bij huis wilden.  Koos zag er wel handel in.  Omdat hij de bruid geleverd had, kreeg hij een voorkeursbehandeling. 
Gerard, Remco en ook buurman Ed kwamen op de wachtlijst. Mijn Altenburger- Arabische duo leverde op bestelling en had daar hun snavels vol aan.
© c.u.