zondag 3 februari 2013

Kijk daar uit die richting kwam mijn duif

Duivenmelkers kijken naar alle kanten als ze hun duiven thuis verwachten. Ze wijzen, gluren en turen Ze speuren het luchtruim af, zwaaien met hun armen , maken grote gebaren.  Zo'n man is nerveus tot het uiterste gespannen, kortom hij is een toonbeeld van onrust
Hieronder wat foto's die dat in beeld brengen. Let niet niet op, of misschien vooral wel, op alle rommel en buitennissige attributen die  zo vaak een mooie opname wat ontsieren.

hij dook over het dak van buurman


als een stipje heel hoog


nou daar zat ie dan en naar binnenlopen ho maar


komt er nog wat van....



















even bellen of Henk al wat heeft


donderdag 24 januari 2013

Zegt het voort



Het oog  van de Muis de moeder vd Schallie


Veel duivenmelkers zijn egotrippers. Ze hebben het vooral over zich zelf en  blijven maar vertellen hoe  ze vroeger de sterren van de hemel en de pannen van het dak vlogen, dat ze de broedschotels wel hadden in kunnen korven want alles vloog prijs.
Ze luisteren maar met een half oor naar je. Dat is zeker zo als je maar een klein onbetekenend melkertje bent en je niet aan de weg timmert.Wat ze opvangen en door vertellen over jouw ervaringen en de prestaties van  je duiven is na enkele dagen aan het andere eind van de stad een heel ander verhaal geworden.Als je   bijvoorbeeld op de club tegen een collega zegt dat je favorieten niet de vorm hebben,vertelt iemand anders een paar uur later dat ze het adeno virus of de coli bacterie hebben. Soms worden er zo oneerlijke dingen  over iemand gezegd en ontstaan er ruzies die hele verenigingen op hun kop zetten.
Een zusje van de Schallie ook kon er wat van

Toch kun je dat onnauwkeurige  verder vertellen ook wel gebruiken om de ander voor de gek te houden. In de zomermaanden gaat een jonge schallie doffer bij mij opeens fantastisch vliegen; vier keer bij de eerste tien van de vereniging en drie maal in de top van het stedelijk concours. Dat is niet mis. Zoiets heb ik nog niet vaak meegemaakt in mijn duivenbestaan. Plotseling ben ik belangrijk. Men informeert belangstellend en zelfs de grote mannen praten nu met me.

Met Peter, die altijd wel in is voor een geintje, spreek ik af dat het succes voornamelijk te danken is aan thee, gewoon Pickwick met sinaasappelsmaak en dat we twee maal in het midden van de week witte tabletten geven. Die heb ik van Gert; zijn vader heeft van gewone kalk tabletjes gemaakt.
 In een buisje met een etiketje ziet dat er zeer professioneel uit. Ze moeten opgelost worden in het drinkwater en 's morgens  toegediend worden. Zo'n buisje kost tien gulden. 

Peter zal het bij hem in de buurt rondbazuinen. Al gauw wordt links en rechts gefluisterd dat ik m'n duiven wat geef.  Dat mijn schallie niet voor niks zo te keer gaat en dat het zelfs aan de prijzen van mijn overnachtduiven is  af te lezen. Gert kan de vraag naar tabletten niet aan. 
Tegen mij wordt niet rechtstreeks iets gezegd maar er worden grappen gemaakt over dopingcontrole. 
Alleen Harrie maakt met mij een praatje over  duiventhee en wil weten over  er in de thee die wij drinken andere stoffen zitten. Het wil er bij hem niet in dat gewone thee van Van Nelle of Douwe Egberts een stimulerende werking heeft en hij denkt dat bij meer dagen mand het effect helemaal weg is.

Zo zie je maar melkers zijn altijd op zoek en ze zijn goedgelovig. Tussen haakjes Gert is te eerlijk; hij moet tegen iedereen nee verkopen, want hij kan  niet aan het idee wennen dat hij zijn duivenvrienden laat betalen voor niets.
Oudere schallie maakte een trip naar Engeland
Met mijn snelle jonge duif bemoeit iedereen zich. 
Al direct na de eerste vroege prijs op St Ghislain, krijg ik het advies het dier maar in te houden en te bewaren voor later. 
Een week later na  Douai roept men dat ik om moeilijkheden vraag en nade derde succesvolle vlucht zeggen ze: ‘ Je wil het onderste uit de kan hebben, kijk maar uit straks ben je hem kwijt.’
Men veronderstelt dat ik de duif op een jonkie of op  verkapt weduwschap speel. 
Wanneer ik verklaar dat de vogel gewoon op het schabbetje gespeeld wordt, is het ongeloof algemeen. 
De Schallie zit op een klein plankje in een donker hoekje hoog  aan de voorkant in't hok en kan vandaar de hele boel in de gaten houden.
Ik weet niet waarom hij goed vliegt en ik weet niet waarom een andere duif niks presteert. Natuurlijk kijk ik heel wijs en als me iets gevraagd wordt, doe ik net of ik over het duivenleven veel heb nagedacht.

©c.u.

zondag 13 januari 2013

Goed gemutst


 Een duif waar je je petje voor mocht afnemen;de fameuze 89 met jong (van wijlen Dick Jacobs)


Af en toe kwam er in het Reclameblok van de  televisie vroeger wel eens  een spotje voorbij van een bedrijf dat iets  met kantoorwerk te maken had.
Je zag een overwerkte man die  uit het raam keek. Hij ontdekte aan de overkant een witte duif met een toverhoedje op.
Hij wreef zich in z'n ogen omdat hij meende te dromen, riep zijn secretaresse maar dan was de vogel  al weer gevlogen.

Enige tijd geleden liep ik op de Hof, 't grote plein in onze stad. Het wemelde er van stadsduiven. De markt was net gesloten en de gemeente reiniging en de duiven waren het plein aan 't opruimen.
De duiven renden driftig heen en weer voor de veegwagens  met hun waterstralen en  pikten alles op, wat ook maar enigszins eetbaar was: patat met mayonaise, onduidelijke kruimels en groente resten.
Duivenliefhebbers kijken met andere ogen naar zulke zwerfduiven dan de gemiddelde burger. Ze zien in zo'n vreemdelingen legioen de vele zieke en gewonde duiven. Duiven met of zonder poten, maar soms lopen er fraaie postduiven tussen.

Ik moest denken aan een verhaal dat  Mart me eens vertelde over de heldendaden van zijn  vader die ook duiven hield. Die had een vriend die op zondag graag naar de pleinduiven keek.
‘ M' n ouwe heer wilde een geintje uithalen,’ zei Mart,’ daar was ie goed in!’
Hij voerde de dieren en ving er een stelletje. Thuis knipte hij van wat oude giro enveloppen de hoekjes, deed er een beetje stroop of glutonlijm in en plakte zo de duiven een voor een, een puntmutsje op hun kop.
‘Hoe kreeg je vader die duiven te pakken,’ onderbrak, ‘ zo makkelijk ging  dat toch zeker niet!’
‘ Oh, heel simpel; met zwart naaigaren,’ verklaarde Mart. ‘ Hij  trok een heel stuk van  'n  garenklosje af,  legde dat uit over de stenen  en strooide  wat voer. De  hongerige duiven raakten met hun poten verward in dat fijne draad en mijn pa kon ze dan zo naar zich toe halen. Eigenlijk was hij op die manier naar duiven aan het hengelen.’

Ik keek hem ongelovig aan. Maar hij ging onverstoorbaar door.
‘ De duiven droegen dus hoedjes ,maar ze moesten ook wat aan de poten hebben, vond hij. Van het witte papier maakte hij kokertjes die aan de uiteinden een beetje rafelig geknipt werden. Die bevestigde hij rond de duivenpootjes. Mijn vader was bonthandelaar. Hij knipte stukjes bont en plakte  die op de tenen en op die kokertjes. Nu leek 't van een afstand of de duiven bontlaarsjes aan hadden.

Vervolgens liet hij ze weer los. En met enige spanning wachtte hij de berichten van Toon, z'n duivenmaat af.
‘Moet je nou eens horen,’ riep die bij 't inmanden van de duiven de vrijdag daarna.
‘ Op de Hof lopen duiven met petjes op!’
Iedereen lachte.
‘Dat heb je zeker gedroomd of je hebt een beetje te diep in het glas gekeken,’ schaterden de liefhebbers.
‘ Nee,’ zei Toon, ik heb 't zelf gezien, ik heb getuigen. Ze droegen ook sokjes!’
Hij had beter niks meer kunnen zeggen want de vrolijkheid steeg ten top.
M'n vader vertelde hoe de vork in de steel zat en toen kon Toon er zelf ook wel een beetje zuurzoet  omlachen.
©c.u.

zaterdag 5 januari 2013

Samen uit: samen thuis



Eens op een dag,al weer heel wat jaren geleden, waar blijft de tijd,  deden duivenbuurman Cobus en ik voor ‘t eerst mee aan Sint Vincent. 
We korfden elk een duif in. Twee doffers die na lange voorbereidingen de zware klus mochten klaren. De stand van de slagpennen was grondig bestudeerd. De laatste weken  kregen de 54 en de 74 snoepzaad en duivebonen om aan te sterken.

Met een tweevaks mandje brachten we onze kanspaarden  naar ‘t inkorfcentrum. Daar kwamen  ze samen  in dezelfde reismand. Dat was vertrouwd. Duiven kennen en herkennen elkaar. De 54 en de 74 waren buurjongens en neven. Ze waren familie. 
Hun hokken stonden 10 meter uit elkaar. Op de zaterdag na de Nationale lossing vielen ze tegelijk. We klokten ze binnen een minuut.

Toen ik de gummiringen draaide, en weer uit het hok stapte, kwam Hennie opgetogen door de tuinpoort om te melden dat haar man  een duif had. De 74 en de 54 haalden stedelijk de 1e en 2e prijs en zaten nationaal bij de eerste 200. Het jaar daarop herhaalden ze het kunstukje. Nu werd de 54 net even eerder geconstateerd en hoorden de neefjes  bij de snelste 500. Opnieuw waren het de eerste duiven van de stad.
Onze beide duiven waren weer gezamenlijk op reis gegaan. Ze legden wellicht de hele terugweg met z’n tweeën af, hadden misschien op het dak van dezelfde afgelegen boerderij geslapen. Wie zal het zeggen!

Twee jaar  kwamen ze  tussen tien en elf  praktisch gelijk thuis. In sprookjes en toeval geloof ik niet. Zoals ik al zei: duiven kennen  elkaar. Natuurlijk moet je daarbij niet denken aan de volgende duivendialoog tijdens een lossing:’ha die neef! Jij hier ook?  Dat is sterk, zeg! Moet je ook naar Holland? Okay dan vlieg ik zover met je mee!’ 
Het buurjongens sprookje liep natuurlijk niet helemaal goed af.
Het jaar daarop ging de 54 op een grauwe regenachtige Dax verloren en de 74 mocht rentenieren in het kweekhok
C.U.

dinsdag 25 december 2012

Jozef en Maria




( een bijzondere  kerstgeschiedenis)
Jozef

In de late herfst van 2004 kreeg ik van Jerolimo, mijn duivenbuurman van over het spoor, twee duiven in bruikleen. Aanvankelijk had hij mij die  twee, of  een paar  andere, zullen geven, want hij wilde met dat duifgedoe stoppen. Echter hij bedacht zich! Dat was een schelmenstreek en daarmee deed hij zijn naam eer aan. In het echt heette hij natuurlijk niet Jerolimo of zo. Zijn huis stond aan de Jerolimo dreef en in mijn  emailcontact met hem sprak ik hem met die naam aan. Die Jerolimo was  namelijk een schurk uit De Spaanse Brabander, een blijspel van Brederode en bij gelegenheid legde ik Johan, zo was hij gedoopt,  uit  dat Jerolimo geen erenaam was voor een duivenmelker. 

Johan bracht de fondduiven en  2 indrukwekkende stamlijsten eind november; hij gaf er een zak voer bij en dat was niet onaardig. Ik zette ze in mijn Jansen 2 –hokje. Het was niet het verblijf voor de  duiven van  dat  je – weet - wel - wereldberoemde merk. Nee, de architect van het gebrekkige kleine vier - a vijfduifshokje heette  Karel Jansen, vandaar.  En daar zaten ze dan. Het waren een donkerkrasdoffer en een licht geschelpte duivin. De man was afkomstig van een Friese liefhebber. Johan had hem en een broer via een Enkhuizense melker in handen gekregen; het duivenvrouwtje stamde  uit België en had Barcelona – ouders. En daar mocht ik uit kweken. Wat een kweekmateriaal! Dat loog er dus niet om! 


Toen ze aan hun krakkemikkige  duivenstalling gewend waren, gaf ik hen een broedpan en liet ze hun gang gaan. Vijf  en 7 december  waren er eieren. Het tweetal broedde ijverig en zat het grootste deel van de tijd in de spoetnik naar de lucht te turen. Oh, ze wilden zo graag weg! Ontsnappen echter mochten ze niet. De doffer zou linea recta naar Enkhuizen sprinten en de duivin wellicht naar Nergenshuizen, want ze was nooit van haar leven los geweest. Met Kerst; 1e en 2e Kerstdag werden de jonkies geboren. Wat een planning; die leenduifjes hadden dat fantastisch uitgekiend. Die Johannes van over het Spoor daar  had  toch maar slimme duiven.
Ik stuurde hem een e - mailtje om hem van mijn blijde gebeurtenis op de hoogte te stellen. Hij reageerde direct per computerpost:’ Gegroet Corleone,( Zo noemde hij mij in ons emailverkeer)

‘Dat is goed nieuws en mooi getimed. Ik heb er zelf  wel prachtige zomerjongen van maar er is nog niet mee gevlogen. Dit jaar gaan ze op de 1 daagse en volgend jaar overnachten en dan weet ik wat voor vlees ik  in de kuip heb. Ze vliegen wel als straaljagers om het huis heen. In de morgen, bij dageraad, een uur en voor het donker worden een uur. Soms blijven ze in het donker doorvliegen. Liefhebbers van tipplers, 'er zit er een bij me in de buurt', die trainen de duiven ook om in het donker te vliegen en zij stellen  lampen op als de duiven moeten landen.   
Ik moet de duivenzolder nog aanpassen. De helft van broedhokken gaat  weg, daar ga ik bier brouwen en  je komt  maar eens langs om te proeven. Het spul is wel aardig aan de sterke kant moet ik zeggen. Ben ook bezig met die nieuwe websites, maar daarvan hou ik je wel op de hoogte. Nog fijne feestdagen en dat je  maar gezond mag blijven, als ik je niet meer spreek.’
Maria

Ik noemde mijn twee kerstjongen, die stuntelig uit het ei kropen, Jozef en Maria.  Bijbelshistorisch klopte daar geen hout van. Maria en Jozef waren immers geen broer en zus. Maar ja, het waren tenslotte maar duiven, daar in mijn  Jansen 2  herbergje en ik was trots op mijn nieuwe aanwinsten. Jozef en z’n zusje hadden onder hun  beroemde voorouders; de Zilvervos. De Madonna, ’t Vleugelke en het Goudklompje. Hun grootvader was een zogenaamde witbuik en hun grootmoeder werd ooit door een bekende duiven - Nederlander aangekocht voor 2600 euro. 
Op nieuwjaarsdag 2005 kregen de nieuwkomers een ring om hun poot. Net op tijd had ik die ringen van onze ringenman ontvangen. Boze tongen beweerden later dat hij me in december al gematst had. Maar dat was onwaar; op de eerste dag van het nieuwe jaar fietste ik naar Gerrit onze ringencommissaris, wenste hem een gelukkig en voorspoedig  vliegseizoen, en ontving  bij wijze van spreken als dank 80 ringen. Maria kreeg ring nummer 80 en Jozef mocht  als de 79 door het leven vliegen. 

Het zogenaamde Jansen2 hokje
Na het spenen ging het kweekkoppel terug naar Johan – Jerolimo, de buurman van over het Spoor. J en M bleven alleen achter in hun duivenhutje. Ze groeiden voorspoedig, kregen verkering en,  tot mijn ongenoegen,  2 eieren. Die verving ik door plastic fop – eieren; want op incestueuze toestanden zat ik niet wachten. Toen in april mijn normale jongen gespeend werden, verhuisden ook Maria en haar broertje naar het gewone jonge duivenhok. 
Tot die tijd hadden ze in weer en wind  met  z’n tweetjes uitgevlogen van hun  eenvoudige knutselhokje. Of het nu stormde, stortregende, hagelde, ijzelde of sneeuwde het maakte niet uit, want winterjongen moesten als het even kon naar buiten, had ik begrepen. Soms zaten ze in de  dikke sneeuw op de dakgootrand.  Maar met die verhuizing begon voor hen ook het grote avontuur van het met de klad meetrekken, het opleren en de eerste chaotische  wedvluchten. Ze liepen ook  allerlei duivenkinderziekten op en er zaten opeens allerlei bittere poeders en elixers door het drinkwater.   
Het was een hele overgang. Van de ene dag op de andere zaten ze met een 40-tal soortgenoten in een donker hokje want mijn kerstduiven werden als winterjongen met de  rest mee verduisterd.  Met ‘t beschermde leventje van het trouwe stel was het  over en uit.

Jozef viel, tot ergernis van Maria, voor een ander duivinnetje en bouwde  op de bodem van het hok in een hoek een nest als een kasteel, dat door een jonge macho doffer steeds weer werd afgebroken.  Er zaten  trouwens meer van die hooligans die hem het leven zuur maakten. 
Enfin onze Jozef, de 79 dus, vloog van de losplaatsen Meer, Duffel en Strombeek. Toen begon hij te sukkelen. Hij huilde met een oog. ‘One cold eye disease’,  luidde de dierenarts diagnose. Daar had ik nog nooit van gehoord. Zolang ik duiven hield, had nog nooit last van eenzijdig tranende duiven gehad. Na een spuitje herstelde Jozef. 

Zijn zusje had geen problemen met verkouden ogen. Zij  kwam evenwel van Harchies thuis met een blauwe plek onder haar  rechtervleugel, gevolg van een botsing onderweg. Met een bult in haar oksel kon ze niet zo goed vliegen. Ook zij moest voorlopig thuisblijven en  kon niet mee naar het mooie Frankrijk. Pas op de natoer eind augustus mochten mijn aanwinsten van Johan weer mee de baan op. 
Jozef vloog een keer prijs op Duffel maar Maria bakte er bij wijze van spreken pannenkoeken van. Ze hadden zich wel vaker kunnen klasseren. Echter ze vielen van de vlucht meestal op hun geboortehokje, gingen daar bij de blauwe drinkgoot  zuipen en verprutsten zo hun prijzen.
Inmiddels is het Sinterklaasfeest al weer achter de rug en heel binnenkort hebben we weer Kerst en Oud en Nieuw.  Dan vieren ze eigenlijk hun 1e verjaardag. Sommige duiven  zijn inmiddels mijn duivenland uitgezet en, andere keerden van hun vluchten niet weer.   
De tabaksstelenrover is er nog. Jozef ’s meeste pestkoppen hebben het veld geruimd. Maar………de 79 en de 80 hebben de selectie overleefd.  Jozef en Maria, ze zijn er nog steeds. Want  van duiven waarmee je zo het een en ander beleefd hebt, van duiven met een verhaal en een geschiedenis die zichzelf dus eigenlijk schreef, neem je niet zo makkelijk afscheid.

Cor Uitham